 XXXXXX  XXXXXX
XX        XX  XX     Packet-programma voor IBM PC
 XXXXX    XXXXX      (c) Copyright by S. Kluger, DK4NB / N5NX
     XX   XX         gerealiseerd voor niet-commercieel gebruik
XXXXXX    XX

SP 5.xx, 6.xx, 7.xx en 9.xx - 01/12/94  Vertaling april 1995
DOCUMENTATIE van SP - het professionele packet programma voor IBM AT.
SP is (c) Copyright 1989-1994 :     S. Kluger,   DK4NB, ex DL1MEN.
All Rights Reserved. Vertaling:     J. Bakkenes, PE1JDX.

1 Overzicht
SP is een packet radio terminal programma voor IBM compatibels en Atari ST. Dit manual
is geschikt voor de IBM-versie, het ATARI gedeelte is in de vertaling weggelaten.
SP mag gekopieerd worden zolang de disk het zelfde bevat als de distributie disk. Je
hebt het recht om SP aan te passen aan persoonlijke behoefte, maar mogen niet
doorgegeven worden. Vanwege het kleine aantal is er geen gedrukt nederlands manual.
Deze file mag alleen in Nederland en Belgi verspreid worden.
Alle geregistreerde gebruikers van SP 6.00 kunnen de bron-code (source-code) krijgen.
SP is in Borland C geschreven en kost DM 300,00. Stuur geen geld, wacht op de licentie
overeenkomst, samen met de betaling.
COMMERCIEEL gebruik van SP is VERBODEN. Commercile licenties zijn beschikbaar.
SP 6.xx is verspreid "zoals het is" wat betekent dat er geen garantie aan verbonden
is, noch dat het op je systeem draait, of zelfs in het geheel werkt. Als er problemen
zijn mag je een bericht (packet of brief) sturen. Het packetadres is DK4NB @
DB0BAA.BAY.DEU.EU of @ DB0KCP.DEU.EU. Voor een antwoord via de post sluit dan een
DUITSE postzegel of $1 bij, GEEN IRC's. Er wordt een donatie gevraagd voor SP van DM
60. Iedereen die minder betaald heeft, of een gratis kopie kreeg moet weten dat alle
kosten stijgen en dat SP 10 keer de prijs waard is. Voor de versies 6.xx wordt GEEN
support meer gegeven !
Dit manual is niet geschikt voor hogere SP versies, maar kan indien het engels of
duits niet optimaal beheerst wordt, toch een goede handleiding zijn om te beginnen.
Om SP goed te installeren en om mee te werken is meer kennis van de computer nodig dan
een doorsnee beginner. Onthoudt dat alvorens hulp te vragen. SP werkt met een TNC2 met
WA8DED EPROM. Zonodig, en als er geen andere mogelijkheid is, kan het programma
TFPCR.COM samen met een KISS TNC gebruikt worden. Echter dit kan wel eens NIET werken.
Een redelijk alternatief is een DRSI PC*PA waarvan er vier gestuurd kunnen worden
alsof het een TNC is.

1.1 LET OP - Over files en voorbeelden
Er zijn een paar dingen waarvoor nu even aandacht. Files en passages die als voorbeeld
dienen en bij DK4BN of PE1JDX bruikbaar zijn, zoals PATHLIST.SP, WELCOME.SP en
QRGLIST.SP moeten aangepast worden en daarom door INSTALL.COM niet gekopieerd worden
in C:\SP\CFG !!!
Verder werkt INSTALL.COM niet bij installatie op floppy onder Windows en OS/2. In deze
gevallen met "met de hand" genstalleerd worden. Tot slot is het NIET mogelijk nieuwe
SP-versies op een PC met slechts 2 360k-drives te gebruiken.
INSTALL.COM loopt niet onder VPIX of direct onder OS/2 (zie later). SP moet onder alle
gangbare DOS-emulators werken (niet getest).

1.2 Anti-virus
SP.EXE en SPO.EXE zijn middels een controlegetal tegen virussen beveiligd. Dit getal
wordt bij een start berekend en getest als de "reclame" getoond wordt. Bij een
(vermoedelijke) infectie zal SP een koude start doorvoeren en wordt de .EXE file
gewist !1.3 DATA-overdracht
Hier ook even aandacht voor. Bij overbrengen van 7PLUS-files, moet de umlauts
"uitgezet" worden, zowel bij zenden als ontvangst.

1.4 LZEXE en gelijken
SP.EXE en SPO.EXE liever niet met programma als LZEXE "gecomprest" worden. Binnen het
programma zitten teksten die met overlay-techniek ingelezen worden.; SPO.EXE gebruikt
ook code-overlays. Hierdoor zal het controle getal niet meer kloppen met alle gevolgen
van dien. Het moet echter wel werken met STACKER en DOUBLESPACE.

1.5 9600 BAUD TNCS
Bij file-overdracht met 9600 Baud TNCs (bv G3RUH) MOET het monitorkanaal met [esc] MN
tijdens minimaal de fileoverdracht uitgeschakeld worden. Dit om te voorkomen dat de
TNC "overstroomd" of gebruik minimaal een 386/33 computer.

1.6 Een paar begrippen
De beschrijving van toets slaat altijd op een normaal toetsenbord (USASCII). Met [esc]
wordt bedoelt druk eerst de [esc] toets, dan de rest. Voor [ctrl] en [alt] geldt houd
de [alt] of [ctrl] (Control) toets vast samen met de volgende toets.
Met kanaal 0 (nul) wordt soms het monitor kanaal aangeduid.
De SPDIR is de directory waar de meeste .SP files (o.a. CONFIG.SP) staan. Dit wordt
met het DOS commando SET SPDIR=C:\SP\CFG opgegeven.

2 Installatie

2.1 Installatie
De volgende minimum hardware is benodigd: IBM XT met 640 k RAM, hard disk, monochrome
monitor en TNC2 of DRSI. Voorgestelde configuratie: IBM AT met 2 MB RAM, VGA scherm,
hard disk en TNC2, de harde schijf eventueel "gecached" met SMARTDRV.
Vanwege de hoeveelheid hardware configuraties, is het installeren van SP op de PC soms
een uitdaging. Het is het beste om INSTALL te gebruiken voor de installatie en om de
belangrijkste parameters automatisch in te stellen. Wees wel zo slim een kopie te
bewaren...

2.2 Handmatige installatie onder MS-DOS
Het installeren kan bij versie als 6.20 en 6.50 problemen opgeven, omdat er geen
INSTALL bij geleverd is. Daarom hier de beschrijving:
Lees eerst dit deel goed door. Maak daarna vanuit de root de directory C:\SP. Vandaar
uit maak je de volgende sub-directories : CFG , DXC , REM , RUN , HLP , 7PL , BIN ,
SAV , SAV.OLD.
Ga naar C:\SP en kopieer alle bestanden daar heen. Dan REMHLPW.SP en REMHLPD.SP naar
de \HLP, de overige .SP files naar \CFG. Maak een batchfile met @SET SPDIR=C:\SP\CFG.
Verander de CONFIG.SP en andere files naar eigen smaak en behoefte. Bij het installe-
ren van versie 6.xx, hoger dan 6.11 geen files overnemen, er zijn te veel verschillen.

2.3 Installatie onder MS Windows
SP kan gestart worden als een DOS applicatie onder Windows  3.x in "386 enh"-mode. De
files SP.PIF en SP.ICO moeten dit makkelijker maken. De installatie moet geschieden
onder DOS, niet in een DOS-window. Na de installatie kan SP.PIF met windows werken.
LET OP: als SP.EXE niet in C:\SP staat, moet SP.PIF ge-edit worden met de PIF-editor!
Hoe SP verder onder windows te laten werken en een icoon toe te wijzen, staat in de
windows documentatie. De tijdsinterval moet van 30 ms naar 50 ms veranderd worden !

2.4 Installatie onder OS/2
Installeer SP eerst onder DOS. Boot OS/2 en maak met een mal een programma object "SP"
en combineer dit met het icoon SP2.ICO. Maak een AUTOEXEC.BAT of START.BAT waarin de
SPDIR opgegeven wordt. Zorg er voor dat de DOS settings tussen de 400 k en 500 k EMS
en voldoende XMS kunnen gebruiken (afhankelijk van het aantal kanalen ongeveer 160 k
per kanaal). Het beste is de volgende procedure te gebruiken :
1) voeg de programma-data in aan mal (vergeet het "-b" commando optie niet)
2) verwijs de icoon SP2.ICO onder "algemeen"
3) zet de "settings / DOS settings" als volgt :
      COM_DIRECT_ACCESS OFF
      COM_HOLD OFF
      COM_SELECT ALL
      DOS_AUTOEXEC naar behoefte
      DOS_BACKGROUND_EXECUTION ON
      DOS_FCBS 0
      DOS_FCBS_KEEP 0
      DOS_FILES 80
      DOS_HIGH ON
      DOS_UMB ON
      DPMI_DOS_API ENABLED
      DPMI_MEMORY_LIMIT 4
      EMS_FRAME_LOCATION AUTO
      EMS_MEMORY_LIMIT 960
      IDLE_SECONDS 0
      INT_DURING_IO OFF
      VIDEO_FASTPASTE ON
      VIDEO_WINDOW_REFRESH 1
      XMS_HANDLES 8
      XMS_MEMORY_LIMIT 2200  *)
Alle andere settings moeten niet veranderd worden.
*) Afhankelijk van de lengte van de backscroll-buffers en aantal kanalen. Maximaal 160
kByte per kanaal gebruiken. Als de te bewerken regels van het invoer scherm in het XMS
staan, tel dan 90 bytes er bij op. Voorbeeld: met 20 kanalen en 999 regels per kanaal,
instellen op minimaal 3300.
Let er op dat SP geladen wordt in DOS omgeving zonder de DOS versie te veranderen. SP
heeft minimaal de versie nodig dat "20.0" is. Let ook op dat VIDEO:2 gebruikt wordt in
plaats dan vreemde modes, die mogelijk niet goed werken.3 Configuratie
3.1 Algemene SP configuratie
De opdracht parameter wordt door een min-teken (-) vooraf gegaan. Hiermee kunnen
meerdere configuraties op een regel opgeroepen worden.
SP is geconfigureerd door een tekst file genaamd CONFIG.SP. Bijna alle parameters
kunnen hier ingesteld worden. De file is lijn georinteerd, elk commando bevat drie
hoofdletter, een = teken en een parameter. Een regel die begint met het #-teken is een
opmerking, lege regels mogen niet. Regels die beginnen met { of } zijn speciale. Na {
samen met een letter of cijfer begint een optionele set parameters die met } wordt
afgesloten. De letter volgend op { staat op de SP commando regel met een sturende
functie. Indien er geen parameter gebruikt wordt, wordt "0" aangenomen als startwaar-
de. Een goed voorbeeld om de accolades {} te gebruiken is om SP te starten met een of
twee TNC's. De speciale letters "c", "m" en "w" worden door SP alleen intern gebruikt
als aanduiding voor kleur (c), monochroom (m) indien een monochroom kaart gebruikt
wordt dan wel een monochroom beeld wenst (zie bij CFG=VIDEO) of windows/OS2 (w). Zo
kan SP starten met voor ingestelde kleuren, los van de gebruikte kaart. Hier volgt een
voorbeeld met een TNC en een tweede als optie:
De letter "w" wordt gebruikt als SP draait onder Windows of OS/2. In dit geval mag een
! toegevoegd worden om aan te geven dat dit deel gebruikt wordt als SP niet onder
Windows draait (b.v. {w! ). Ook dit blok word met "}" afgesloten.
      {0
      CFG=TNCS:1
      }
      {1
      CFG=TNCS:2
      }
      CFG=PORT0:1
      CFG=BAUD0:9600
      CFG=CHANS0:10
      {1
      CFG=PORT1:2
      CFG=BAUD1:9600
      CFG=CHANS1:10
      }
Het commando      C>sp        start met 1 TNC op COM1
                  C>sp -1     start met 2 TNCs op COM1 en COM2
Er zijn twee basis soorten configuratie commando's, voor de TNC en operatieve parame-
ters. Commando's die beginnen met CFG= zijn voor de TNC. Operatieve parameters bestaan
uit een hoeveelheid termen, waarden, lijsten, teksten en kleuren. Veel zijn "aan/uit
(on/off)" waarbij OFF=0 en ON alles behalve 0. Kleur wordt gebruik voor scherm instel-
lingen, deze instellingen beginnen met "A". Kleur kan gegeven worden in naam als wel
numeriek, numeriek kan decimaal of hexadecimaal beginnend met "$".
Let op: de laatste regel van CONFIG.SP moet geindigd worden met RETURN, sommigen doen
dat niet automatisch.
Er bestaat nu ook de mogelijkheid meerdere CONFIG's te gebruiken, waarvan er steeds
een gekozen kan worden. Alle files moeten in de SPDIR. De keuze kan op de volgende
manieren:
1; met de variabele SPCFG  >>   SET SPCFG=CONFIG.2
2; met een start-parameter >>   SP -c config.1
Let wel op dat :
- alleen namen zonder pad of drive gebruikt kunnen worden
- er n commando-parameter gebruikt kan worden, en dus bij methode 2 geen verdere
  parameters gegeven kunnen worden
- bij de commando-regel de "c" klein geschreven moet worden
- methode 2 voorrang heeft op 1
- bij geen gebruik van een van deze methode CONFIG.SP gebruikt wordt
Het formaat van CONFIG.SP is wat flexibeler geworden. Nu kan een regel met een spatie
beginnen en regels kunnen ook commentaar bevatten. Zo'n opmerking begint dan met #.
Wordt dit teken gevonden, dan wordt de rest van de regel en de spaties links er van
genegeerd. Als een "#" in een tekst nodig is, moet deze twee maal gezet worden (##).
Zie de CONFIG.SP file voor voorbeeld.
In de nieuwere versies 6.50 en 9.xx zijn er drie commando opties, "b", "z" en "@":
"b" zal bij het opstarten het start beeld niet tonen
"z" wist bij het opstarten STATUS.SP
"@" is nodig bij het autoconnecten (zie verder)
Opties kunnen dan ook op een regel gecombineerd worden b.v. "SP -12bAz". Voorbeelden
zijn te vinden in de bijgevoegde CONFIG.SP.
CONFIG.SP kent twee soorten instellingen; voor de TNC (CFG, INI en DEI) en de werk-
instellingen (overigen). Deze instellingen hebben een verscheidenheid aan soorten
parameters, letters, getallen, cijfers of ON/OFF. In plaats hier van mag ook 1 voor ON
en 0 voor OFF gebruikt worden. Kleur instellingen zijn herkenbaar aan de commando's
die met de letter "A" beginnen.
Hexadecimale getallen moeten vooraf gegaan worden met een "$".

3.2 configuratie met CFG
CFG=  wordt gebruikt om twee algemene en vijf specifieke TNC-parameters in te stellen.

3.2.1 Scherm configuratie
CFG=VIDEO:n n  mag de volgende waarde hebben:
0 = "elke" video controller         1 = 43 line EGA
2 = 50 of 60 line VGA               x = DECIMAL voor de video mode die gebruikt wordt
Attentie: EGA/VGA met een monochrome scherm, ",M" moet toegevoegd worden b.v.
CFG=VIDEO:2,M. Bij problemen (bv op LAPTOPS) met tekst-attributen kan VIDEO=x,M
gebruikt worden; x= de waarde die hierboven staan. Wel wordt het blok {m - } gebruikt!
Voor speciale instelling van de VGA-kaart is ook een mogelijkheid. Tot 32 bytes
programma-code (hexadecimaal) kan opgeroepen worden. Voorbeeld voor ET400 VGA :
CFG=VIDEO:0,b8,26,00,cd,10,b8,11,11,b3,00,cd,10

3.2.2 Gebruikte taal
Duitse en engelse meldingen zijn opgenomen in SP. De taal wordt geselecteerd door:
CFG=LANG:n        n = 0 : duits     n = 1 : engels

3.2.3 TNC configuratie
CFG=TNCS:n        n is het aantal TNC's (let wel DRSI PC*PA telt als een)
CFG=PORTx:n       x = TNC nummer (TNCs worden genummerd vanaf 0)
                  n = poort nummer (normaal de COM poort 1=COM1, 2=COM2, enz.)
      Merk op dat IRQ 4 gebruikt wordt voor COM1 en 3 en IRQ 3 voor COM 2 en 4. Dit
      kan problemen geven omdat SP er op staat dat verschillende COM poorten verschil-
      lende IRQ's gebruiken. Als je COM 3 of 4 gebruikt met een ander IRQ, gebruik dan
      de speciale syntax voor niet-standaard interfaces die later staat afgedrukt. Om
      te voorkomen dat er IRQ conflicten ontstaan, raad ik aan om 16 bits COM-kaarten
      te gebruiken die een willekeurig IRQ nummer toegewezen kunnen krijgen.
CFG=BAUDx:n       x = TNC nummer
                  n = Baudrate (1200,2400,4800,9600,19200,38400)
      Baud snelheid tussen computer en TNC (niet voor DRSI, USCC, KISS e.d.): De
      NORD><LINK firmware versie 2.6 en nieuwer en TFPCX ondersteunen de zogenaamde
      "extended host-mode". Als je dit niet gebruiken wilt, voeg dan ",NE" toe.
CFG=CHANSx:n      x = TNC nummer
                  n = Aantal kanalen voor deze TNC.
      Het aantal kanalen mag het maximale aantal dat de EPROM aankan niet overschrij-
      den. Het totaal aantal kanalen mag niet meer dan 40 zijn.CFG=FIFO:nn = 0: FIFO is uitgeschakeld door SP en blijft uit
                  n = 1: FIFO is ingeschakeld  door SP en blijft aan (default)
                  n = 2: FIFO is ingeschakeld  door SP en schakelt uit als SP stopt.
      Deze instelling geldt voor alle interfaces, indien tenminste een COMpoort de
      16550 chip gebruikt. Voorbeeld :
      CFG=PORT0:4,3B8,11  (COM2, adres 3B8, IRQ 11)
      Deze syntax moet gebruikt worden als adres of IRQ niet standaard is.

3.2.4 Variaties

3.2.4.1 Niet-standaard interfaces:
De zogenaamde IBM standaard geldt alleen voor COM 1 en COM 2. COM 3 en 4 worden onder-
steund, maar lopen via de zelfde IRQ lijnen als 1 en 2, wat niet kan. De meeste RS 232
kaarten moeten op IRQ 2 voor COM 3 en IRQ 5 voor COM 4 gezet worden. Specifieke AT
IRQ's kunnen gebruikt worden op een 16-bit RS 232 kaart. Om een interface te gebruiken
met een niet-standaard interface, kunnen de waarden in CONFIG.SP gespecificeerd wor-
den.
CFG=PORTx:n,p,i
x = TNC nummer    n = COM-poort (1-4)     p = poort adres in hexadecimaal
i = IRQ nummer voor deze poort            Voorbeeld:  CFG=PORT0:4,3b8,5

3.2.4.2 meerdere TNC's op een interface
Het is mogelijk om een RS 232 schakel eenheid te gebruiken om maximaal 4 TNC's op een
COM-poort aan te sluiten. In dit geval moet alle baud snelheden gelijk zijn. Het
schakelen gebeurt via de RST en DTR contacten. Het ontwerp is van DB9AP en DL5HCD
heeft een interface kaart gemaakt. De volgende versie werd ontwikkeld door DL7WA en
gemaakt door DG5FAU en DG6UL, en is voor een TNC2 schakelaar.
Indien een "multi TNC switcher" gebruikt wordt, moet het poortnummer opgegeven worden
met twee cijfers. De eerste is het TNC-nummer, de andere is de COM-poort. Voorbeeld :
2 TNC's op een COM-poort.
      CFG=TNCS:2
      CFG=PORT0:01
      CFG=BAUD0:9600
      CFG=CHANS0:4
      CFG=PORT1:11
      CFG=BAUD1:9600
      CFG=CHANS1:4

3.2.4.3 TFPCR en TFPCX
Met TFPCR en TFPCX kan elke KISS TNC, Baycom modem of Baycom USCC kaart gebruikt
worden met SP, dit wordt niet aanbevolen (je kunt beter een TNC2 kopen, dat werkt in
elk geval). Gebruik dan "5" als COM-poort specificatie, geeft geen baudrate, dat doet
TFPCR. De TFPCR vector wordt automatisch vastgesteld. Indien TFPCR "hoog" geladen
(LOADHIGH TFPCR) wordt, geef dan "5H" als poort. De door TFPCX gebruikte interrupt
vector wordt door SP automatisch gevonden.

3.2.4.4 DRSI PC*PA
Wordt een DRSI PC*PA gebruikt, benoem de poort "D" of "DH", geen baudrate. De vector
gebruikt door TNCTSR wordt automatisch vastgesteld. Let op dat een DRSI PC*PA een TNC
is.

3.2.5 TNC identificatie
Als extra gebruikers informatie, kun je een "naam" aan elke TNC geven die verschijnt
bij elke fout- en status-melding. Deze "naam" mag zes tekens lang zijn en wordt als
volgt gegeven:
CFG=IDENTx:s      x = TNC nummer    s = 1 tot 6 tekens3.3 Tekst attributen
Tekst kenmerken zijn kleuren of (bij monochroom) onderstrepen etc. Deze kunnen
numeriek of mnemonisch opgeven worden. De numerieke specificatie moet in hexadecimaal
gegeven worden omdat er een logisch verband is tussen deze kenmerken.
Monochroom :      1 = onderstrepen, 7 = normaal, 15 = helder, 112 = inverse. Tel er
128 bij om het te laten knipperen.
Kleur:
hex mnem    kleur             hex mnem    kleur             
-------------------------     ------------------------
0   BLK     zwart             8   DGY     donker grijs
1   BLU     blauw             9   LBL     licht blauw
2   GRN     groen             A   LGN     licht groen
3   CYA     cyaan             B   LCY     licht cyaan
4   RED     rood              C   LRD     licht rood
5   MAG     magenta           D   LMA     licht magenta
6   BRN     bruin             E   YEL     geel
7   LGY     licht grijs       F   WHI     wit

Kleuren tussen 0 en 7 kunnen als voor- en achter-grond gebruikt worden, 8-F alleen als
voorgrond kleur. Alle achtergrond kleuren moeten hetzelfde zijn, behalve in de
statusregels. De kleur-kenmerken voor voor- en achter-grond kleur wordt numeriek zo
ingesteld:  ABS=$01     (blauw op zwart).
Mnemonisch is de volgorde andersom :      ABS=BLU,BLK (blauw op zwart).
Om het te laten knipperen, voeg dan ",BLINK" of "$80" toe.
De kleuren kunnen ook voor monochroom gebruikt worden, echter alleen WHI, BLK en LGY
werken. Merk op dat de achtergrond kleur voor alle drie schermen gelijk moet zijn. De
opdracht is een combinatie van voorgrondkleur, achtergrondkleur en eventueel knippe-
ren. Voorbeelden :
      ABS=BLU,BLK       (blauwe voorgrond op zware achtergrond)
      AWA=BLU,BLK,BLINK (idem, maar knipperend)

3.4 Alfabetische lijst met commando's
De volgende lijst toont eerst het commando en een voorbeeld hiervan, dan de "normale"
instelling en tot slot een beschrijving.

AAM=kenmerk             AAM=BLU,GRN
      Instelling voor MYCALL als SP deze heeft gewijzigd bij multi-connect.
ABI=kenmerk             ABI=LBL,CYA
      Instelling voor calls in de onderste statusregel als er data binnenkomt.
ABS=kenmerk             ABS=YEL,BLU
      Instelling voor de onderste status regel.
ACL=kenmerk             ACL=YEL,CYA
      Kleur voor prompts en DX-meldingen van een DX-cluster (zie ook CLU=)
ACR=kenmerk             ACL=LMA,BLK
      Instelling voor de DXC-cluster data van DXC.EXE.
ACU=kenmerk             ACU=CYA,WHI
      Instelling voor de software cursor
ADn=kenmerk             AD0=CYA,WHI
      Dit is de monitor instelling voor een DRSI PC*PA. Het nummer (n) 0 t/m 7 komt
      overeen met de TNC poortnummer. Als niet opgegeven is wordt deze default geset.
ADC=kenmerk             ADC=WHI,BLU
      Instelling voor het "discon" display in de onderste status regel.
ADF=kenmerk             ADF=WHI,CYA
      Standaard instelling voor getypte tekst en andere data zonder bijzonder kenmerk.
AEM=kenmerk             AEM=RED,GRN
      Instelling voor het pop-up venster.AFL=kenmerkAFL=YEL,GRN
      Instelling van FLAGS display in de bovenste status regel.
AFS=kenmerk             AFS=YEL,BLK
      Wordt gebruikt voor allerhande instelling met volledig scherm.
AHn=kenmerk             AH0=BLK,CYA
      Instelling voor monitor-kop, bestaat voor elke TNC, n is het TNC nummer.
AHX=kenmerk             AHX=RED,BLK
      Instelling van de hex dump display van gemonitorde data.
AIn=kenmerk             AI1=WHI,CYA
      Monitor informatie instelling voor TNC n.
AMF=kenmerk             AMF=LRD,BLK
      Kleuren voor ontvangen data in MultiMonitor van het "from" station (call staat
      in de bovenste statusregel).
AMT=kenmerk             AMT=LCY,BLK
      Als AMF, nu echter het "to" station (call in onderste statusregel).
ANR=kenmerk             ANR=LBL,CYA
      Instelling voor gemonitorde NET/ROM velden.
ARX=kenmerk             ARX=BLK,CYA
      Instelling van ontvangen QSO-tekst.
AS2=kenmerk             AS2=YEL,RED
      Kleuren voor secundaire statusregel.
ASC=kenmerk             ASC=RED,GRN
      Kleur voor de korte kolom cursor, gebruikt met verandering met het [esc] SI
      commando.
AST=kenmerk             AST=WHI,CYA
      Kleuren voor eigen tekst in ontvangst-scherm (bij ECHO on).
ASX=kenmerk             ASX=RED,CYA
      Kleur voor TNC-status melding.
ATI=kenmerk             ATI=YEL,CYA
      Instelling voor TNC-ID welke is vastgelegd voor alle monitor koppen bij gebruik
      van meerdere TNC's.
ATS=kenmerk             ATS=YEL,BLU
      Instelling voor bovenste status regel.
ATT=kenmerk             ATT=BLK,LGY
      Instelling voor velden.
AUI=kenmerk             AUI=LMA,BLK
      Kleuren voor UI frames (broadcasts).
AVI=kenmerk             AVI=BLK,CYA
      Instelling voor het [esc] VIEW commando, indien niet opgegeven wordt ADF=
      gebruikt.
AWA=Kenmerk             AWA=RED,CYA
      Instelling voor waarschuwing en belangrijke info.
BBL=100..600            BBL=300
      Stelt het aantal TNC buffers in, onder de buffer teller in de bovenste status
      regel wordt deze weer gegeven met de AWA= instelling.
BCC=tekst               BCC=MAIL
      BBS'en, o.a. F6FBB, zenden een baken uit met daarin de melding voor wie er post
      is. Dit commando stelt het baken adres in en zoek daarin naar de eigen call.
BCS=ON of OFF           BCS=OFF
      Indien ingeschakeld worden alle baken (d.w.z. UI frame met protocol ID F0)
      opgeslagen in de file BEACONS.SP.
BEB=ON of OFF           BEB=ON
      Geeft een signaal als een binaire overdracht gereed is.
BIL=ON of OFF           BIL=OFF
      Bij ON wordt een lege regel uitgezonden voor binaire overdracht met [esc] SB.BIN=padBIN=C:\SP\BIN
      Geeft het pad aan waar files met BoxBin of //RBAT ontvangen files worden
      opgeslagen. Indien niet opgegeven wordt het SVP= pad gebruikt.
BLI=omvang              BLI=100000000
      Maximale omvang van binaire overdracht. Werkt niet in SYSOP mode.
BLK=ON of OFF           BLK=ON
      Bij ON is het knipper bit geset voor tekst instellingen, bij Off kunnen alle 16
      voorgrondkleuren ook gebruikt worden als achtergrond; knipperen is dan niet
      mogelijk. Dit werkt niet met alle VGA kaarten en voor sommige hardware moet dit
      een default instelling zijn.
BMM=ON of OFF           BMM=OFF
      Als er bij MultiMonitor een binaire file wordt ontvangen, kan in de ON-stand (EN
      bij actieve [esc] NB) het "[BIN xxx bytes] onderdrukt worden.
BOX=call                BOX=DB0...;DK0...;OE.X..;LX0...;PI8...
      Hiermee kan aan de hand van de prefix of deel van de call een BBS herkend
      worden. Elke punt staat voor een letter. Calls scheiden met ";". Deze stations
      krijgen automatisch remote niveau 3.
BPS=ON of OFF           BPS=ON
      Ingeschakeld zal automatisch SYSOP en gebruikers wachtwoord voor BayCom BBS
      worden uitgezonden. Dit geldt voor BayCom BBS 1.18 en nieuwer en alleen als in
      GREETING.SP de BBS is gemerkt met "b".
BSB=ON of OFF           BSB=OFF
      Bij ON wordt de backscroll status bewaard wanneer er van kanaal gewisseld wordt,
      normaal is dit uitgeschakeld.
BSF=0 of 1              BSF=0
      Op 1 gezet worden SAVE-files niet gewist met Alt-Z, maar gekopieerd naar een
      backup file. Deze staat in de SVB= directory met de naam van de SAVE-file en de
      extensie .Bxx, xx is het kanaal nummer.
BSG=0 of 1              BSG=1
      Op 1 wordt de onderste status regel middels [ctrl]-PgUp en -PgDn op alle kanalen
      een regel opgeschoven, anders alleen bij het gebruikte kanaal.
BTT=ON of OFF           BTT=OFF
      Bij ON worden tijdelijke bestanden gemaakt tijdens verzenden van binaire data in
      de TMP= directory. Anders worden deze geschreven in dezelfde directory waar het
      complete bestand wordt geschreven (RMP=).
CBL=n                   CBL=10
      n is het aantal maal dat bij een nieuwe connect de bel overgaat.
CFG=
      Is beschreven in hoofdstuk 3.2.x.
CHL=c:n,c:n,...         CHL=5:6,6:6,7:3 (voorbeeld !)
      Dit commando blokkeert kanalen voor bepaalde niveaus (remote levels). In het
      voorbeeld zijn kanaal 5 en 6 geblokkeerd voor lager dan niveau 6, kanaal 7
      vraagt minimaal niveau 3. De overigen kunnen door een ieder geconnect worden.
CHM=text                CHM=Dit kanaal is voor u geblokkeerd !
      Deze tekst wordt gestuurd naar iemand die met een te laag niveau connect op een
      in CHL= opgegeven kanaal.
CHN=ON of OFF           CHN=OFF
      Bij ON wordt DISCxx geschreven in plaats van discon in de laagste statusregel;
      xx is het kanaalnummer.
CLB=0...2               CLB=0
      Instelling voor soort bel bij DXCluster bericht (DX rapport e.d.).
      0: geen signaal   1:kort signaal    2:lang hard signaal
      Hiervoor moet aan het cluster het commando SET/ANSI gestuurd worden.CLU=call call call ...CLU=PI8DXE PI8DXW
      Geef hier de packet-cluster(s) die je gebruikt. Bij opgave van SET/ANSI in de
      cluster worden alle DX rapporten fel weergegeven bij ontvangst. De call moet met
      volledig SSID gegeven worden. DX rapporten worden als DXC actief vertaald
      (opgave land, antenne richting, lokale tijd en afstand).
CQA=0 of 1              CQA=0
      Op 1 gezet, alle gehoorde UI-frames met "CQ" geven een alarm op scherm. De
      monitor moet hiervoor ingeschakeld zijn ([esc] M en MHM=).
CTE=0 of 1              CTE=1
      Op 1 volgt de connect tekst uit WELCOME.SP uitgezonden, anders alleen als het
      station niet in de GREETING.SP staat.
CWO=ON of OFF           CWO=OFF
      Indien ingeschakeld zal de call van het station dat connect en disconnect in CW
      worden weergegeven. Alleen inkomende connects.
CWS=30..240             CWS=60
      Gemiddelde CW snelheid in tekens per minuut.
DAT=0..3                DAT=0
      Stelt de datum weergave in. 0: DD.MM.JJ   1:MM/DD/JJ  2:JJ-DD-MM
DEI=TNC-commando        DEI=M N
      Dit commando kan meerdere malen gebruikt worden en wordt naar de TNC gestuurd
      bij beindiging van het programma. Staat na "=" een cijfer, dan geldt dat voor
      de aangegeven TNC, bv. "DEI=1Y0" zendt het commando "Y0" naar TNC 1.
DMO=commando                  DMO=MN
      Stelt het commando in voor het afbreken met [ctrl][F8]. Normaal is MN, wat de
      monitor uitschakelt. Alleen een monitor commando heeft zin.
DMS=text                DMS=Ben even in DOS bezig....\r
      Deze tekst wordt uitgezonden als extra CTEXT indien de SYSOP in DOS bezig is
      (met [CTL]F8 of [esc] DOS).
DOE=ON of OFF           DOE=ON
      Bij ON zal de ECHO ingeschakeld worden bij een DO-opdracht, zodat alle uitgezon-
      den tekst wordt weergegeven.
DOH=ON of OFF           DOH=ON
      Als DOH=ON zal altijd de HOLD worden ingeschakeld bij een DO-opdracht
DPO=ON of OFF           DPO=ON
      Ingeschakeld zullen !! opdrachten tijdens de uitvoer getoond worden.
DSE=n                   DSE=$2E
      Dit zet de datum scheiding voor BOX-SYSOP's (niet anders te gebruiken. Normaal
      geldt als datum DD.MM.JJ maar soms wordt DD/MM/JJ gebruikt. Dan moet DSE=$2F
      ingesteld worden (hex 2F = /). Dit is alleen nodig voor het genereren van
      wachtwoorden en geldt alleen voor de log-in datum.
DSO=0..3                DSO=3
      Beheerst de sortering van //CAT and [esc] DIR; 0; geen, 1; //CAT, 2; [esc] DIR
      en 3; beide.
DSV=ON of OFF           DSV=ON
      Als een DO-file gestart wordt en de SAVE staat uit, wordt er een file gemaakt op
      basis van datum/tijd. DSV=OFF schakelt deze functie uit.
DVI=ON of OFF           DVI=ON
      Normaal wordt het scherm direct geschreven voor een optimale werking. Als er
      problemen zijn, dan op OFF zetten en de BIOS uitvoer benutten. DVI=OFF wordt
      voor OS/2 aanbevolen.
DWF=ON of OFF           DWF=ON
      Een bestand dat met //W geschreven wordt, wordt bij een onverwachte disconnect
      gewist. Met DWF=OFF wordt dit voorkomen. Alleen voor ASCII files.
DXC=pad                 DXC=C:\SP\DXC
      Is de directory waar DXC.EXE en DXC.DAT staan. Bij gebruik van een langzame
      computer of harde schijf, kopieer ze dan naar een RAMdisk en zet DXC= daarop.

DXS=ON of OFF           DXS=OFF
      Op ON zullen de DX rapporten opgeslagen worden in DXRPRT.SAV.
EBL=16..100             EBL=16
      Zet het aantal regels om in de buffer te schrijven, zie ook EBS=, maximaal 100.
EBS=c:n,c:n,...         EBS=0:16,1:100,2:50
      Als EBL=, maar nu per kanaal. Tussen elk kanaal moet een : staan. Voorbeeld:
      kanaal 0 16 regels, kanaal 1 100 regels en kanaal 2 50 regels. De overige
      kanalen gebruiken de EBL= instelling. Ook hier maximaal 100 regels per kanaal.
EBX=ON of OFF           EBX=ON
      Bij voldoende XMS geheugen worden de te bewerken regels in XMS geplaatst als van
      kanaal gewisseld wordt. Bij OFF is dit niet gewenst. Dit staat het gebruik tot
      700 regels toe per kanaal, zelfs als het hoofdgeheugen beperkt is.
ERL=0..2                ERL=0
      Bepaald het vastleggen van fouten.
      0: niet gelogd, 1:alle fouten in ERRLOG.SP, 2:alleen volgens SP grote fouten.
EXT=interrupt vector    (geen normaal waarde)
      Stelt de vector in die aangeroepen wordt tijdens TNC controle om externe
      verwerking van de TNC toe te staan. De noodzakelijke instelling voor het
      programma zijn elders gedefinieerd. De vector moet tussen 0xD0 en 0xFF liggen.
FLA=text                FLA=*** SP in test fase ***
      De hier gegeven tekst wordt bij elke connect uitgezonden op elk normaal- en
      node-kanaal, los van CTE=.
FLG=code                FLG=$21
      FLG= werkt alleen als STATUS.SP gewist is en stelt de belangrijkste Flag-waarden
      in, Daar wordt een hexadecimale waarde voor gebruikt (na de $) en kent de
      volgende waarden:
      INSERT in    $01    ECHO in     $02    BELL in     $04
      Umlaut ontv  $08    SAVE in     $20
      Als voorbeeld bij gewiste STATUS.SP wordt bij de volgende start van SP ECHO, "de
      bel" en de "umlaut" ingeschakeld, dat is FLG=$14
FLS=0..80               FLS=16
      Deze parameter bepaald de afvaltijd tussen het typen van de regel en het
      uitzenden. De eenheid is het aantal maal doorlopen van de hoofdloop. Default is
      70 gedeeld door het aantal kanalen.
FLX=ON of OFF           FLX=ON
      Staat vrijgeven en onderdrukken van FlexNet route informatie toe in het
      monitorscherm.
GUE=x                   GUE=0
      Op 0 gezet kunnen alle stations connecten. Nu is dit een bit-veld. Bit 0 is voor
      TNC 0, bit 1 voor TNC 1 enz. Elk ingeschakeld bit betekent "Alleen stations uit
      GREETING.SP toegelaten". Voorbeelden :
      GUE=$01     # TNC 0 voor gasten (alle andere TNCs open)
      GUE=$04     # TNC 2 voor gasten
      GUE=$05     # TNC 0 en TNC 2 voor gasten
      GUE=$0F     # TNCs 0 t/m 3 voor gasten
      Niet aanwezige TNC's worden genegeerd en nogmaals DRSI-kaarten tellen als 1 TNC.
      Bij nieuwere versie geldt: de optelling DECIMAAL, dus
      1: TNC 0    2: TNC 1    4: TNC 2    8: TNC 3    9: TNC 1 en TNC 3
HEX=0..3                HEX=0
      Dit geeft een "debugd" beeld van een hexadecimale dump in het monitor scherm,
      gelijk aan DEBUG.COM. De cijfers betekenen :
      0: uit, geen debug            1: hex dump met een ID, behalve F0
      2: hex dump, alleen F0 ID     3: hex dump van alle info frames
HLP=pad                 HLP=C:\SP\HLP
      Directory van de help-files.HOB=ON of OFFHOB=OFF
      Ingeschakeld, wordt het Hold-teken (HOS=) meteen na [esc] HOLD uitgezonden,
      anders zal de HOT= tijd wachten.
HOS=tekst               HOS=<spatie>
      Instelling van de HOLD-tekst. Deze tekst wordt uitgezonden na een tijdje zonder
      noemenswaardige activiteit bij korte link-timers -bv BBS'en-. Normaal is een
      enkele spatie, die door SP genegeerd wordt.
HOT=100-30000           HOT=300
      Dit is de tijd dat de HOLD-tekst uitgezonden wordt als HOLD aan is.
HSZ=10..50              HSZ=50
      Instelling lengte van de "gehoord" lijst. 50 is default en maximum.
INI=TNC-commando        INI=M UISC
      Dit commando kan meerdere malen voorkomen en wordt gebruikt om commando's naar
      de TNC te sturen als SP gestart wordt. Als "=" direct gevolgd wordt door een
      cijfer geldt dit voor die TNC. Bij de installatie moet het commando "INI=I"
      gevolgd worden door de eigen call.
IPR=0-9                 IPR=1
      Deze opdracht stelt het PRIV-niveau. Default is 1 (zie REMOTE commando's).
ISn=tekst               IS0=test de PA6BNV
      Bakentekst voor TNC "n", maximaal 65 karakters.
ITn=20-3600             IT1=1800
      Intervaltijd uitzending baken tekst van TNC "n". Bakens zijn vaak onnodige QRM
      en moeten gebruikt worden om je QRV te melden. Hoog instellen.
JSO=ON of OFF           JSO=ON
      In en uitschakelen van automatische [ctrl][tab] na het [esc] SORT commando.
KEY=oud,nieuw
      Herbenoemen van toetsen kan in CONFIG.SP. Daarvoor moeten wel de scan-codes
      bekent zijn. De syntax is KEY=oud,nieuw (scancode in hexadecimaal). De scancodes
      kunnen gevonden worden met ALT-` (USACII ALT-=). Hier een voorbeeld van de vier
      commando's om de y en z te verwisselen:
            KEY=1579,2C7A
            KEY=2C7A,1579
            KEY=1559,2C5A
            KEY=2C5A,1559
      Dit kan ook tijdens het programma geschieden met [esc] CFG KEY=. Als het
      gewenste doel bereikt is kan met [esc] WK de CONFIG.SP bijgewerkt worden. LET
      OP: ALT-= toont de originele scancode van een toets!
      Bij meerdere omcoderingen van een toets, heeft alleen de laatste effect. Men kan
      dus een verandering weer opheffen door bv [esc] KEY=1579,1579. De veranderde
      toetsen kunnen met [esc] SK getoond worden.
L3A=ON of OFF           L3A=ON
      Normaal zal bij het connecten van een PMS de BBS identificatie (een code
      eindigend op "-$]" niveau 3 gekozen worden, op OFF gebeurt dit niet.
LEM=ON of OFF           LEM=OFF
      Ingeschakeld zal de status van [ctrl][F5] (zie 6.3) opgeslagen aan het einde van
      een QSO. Normaal zal deze functie gereset worden bij disconnect.
LPT=1..4                LPT=1
      Instelling printerpoort (LPT1 t/m LPT4).
LPU=1024..65535         LPU=8192
      Definieert de grootte van LOGINS.SP. Wordt de omvang overschreden, wordt het
      bestand geordend en dubbele meldingen worden gewist. Als het bestand nooit onder
      deze waarde blijft, zal het vergroot moeten worden. Het opschonen kan ook
      gebeuren met [esc] LPU.LTI=20-86400LTI=600
      Tijd dat een inkomend contact verbroken wordt, na een "Timeout" melding. Waarden
      onder de 20 wordt als "oneindig" beschouwd, boven de 86400 worden tot 86400 (24
      uur) verminderd. Het ALT-W commando toont de time-out tijd. 30 seconden voor de
      timeout komt een popup-venster als waarschuwing (het tegenstation krijgt geen
      waarschuwing). De resterende time-out tijd wordt bij ALT-X niet opgeslagen.
MBF=0..300              MBF=128
      Deze waarde bepaald het minimale aantal vrije TNC buffers. Zijn er minder ban
      hier opgegeven zal het monitor kanaal tijdelijk uitschakelen. Deze instelling is
      alleen nodig bij langzame computers een veel 9k6 verkeer.
MBT=50..250             MBT=100
      Instelling minimale vrije TNC buffers tijdens file overdracht.
MCn=call                MC0=mycall
      Opgeven van de call op TNC n, voor herkenning in het MAIL baken (zie BCC=)
MCE=1..15               MCE=5
      Alleen voor intern gebruik.
MCL=1..9                MCL=7
      Als multiconnect geblokkeerd (MNC= ) is, kan hier opgegeven met welk niveau toch
      multiconnects mogelijk zijn.
MCT=20..200             MCT=40
      Voor intern gebruik.
MDn=filenaam
      De filenaam is die van een .DO file die geactiveerd kan worden door een MAIL
      baken. De "n" is het TNC nummer om verschillende procedures op per TNC te
      krijgen. Indien een MAIL baken (zie BCC en MCn) herkent wordt, zal de "@" status
      geset worden en kan de file gestart worden, met [esc] GM. Wordt ",G" toegevoegd
      (MD1=PI8TMA.DO,G) zal de file automatisch starten. Met [esc] GM L wordt de "@"
      status geset zonder verdere actie.
MDx=tekst               MDA=Guten Morgen
      Deze tekst is tijd afhankelijk en wordt uitgezonden op plaatsen waar de "\G"
      staat. De standaard teksten zijn :
      MDA=Guten Morgen,       MDN=Guten Tag,          MDP=Guten abend.
      MWx zijn de engelse teksten. De regels mogen maximaal 29 tekens lang zijn.
      "x" heeft de volgende betekenis:
      A = 00.00 - 12.00 uur    N = 12.00 - 18.00 uur  P = 18.00 - 24.00 uur
MF2=ON of OFF           MF2=ON
      Dit wordt meestal automatisch geset als een 101 of 102 toetsen toetsenbord
      herkent wordt. Sommigen uitgebreide toetsenborden worden niet herkent waardoor
      de [F11] en [F12] toetsen niet werken, in dat geval MF2=ON opgeven. Indien
      NF2=ON gegeven wordt bij een niet-uitgebreid toetsenbord zal mogelijk SP niet
      optimaal werken (crash?).
MFR=n                   MFR=8192
      Minimale vrije ruimte op disk nodig voor //W en //WPRG. Moet een macht van 2
      zijn. Is er minder dan de opgegeven ruimte, dan zal het opslaan van bestanden
      niet gebeuren.
MHD=F/T/C/D             MHD=C
      Sortering van de MHEARD lijst. C= call, D= direct, F= frequentie, T= tijd.
MHM=0..2                MHM=2
      Vorm van de MH-lijst. 0= uit, 1 is aan, 2 laat speudocalls weg.
                        MHM=ON (nieuwe versies)
      Ingeschakeld worden de NET/ROM identificaties niet opgenomen in de MH lijst, bij
      OFF wel.
MHS=0 of 1              MHS=0
      In de stand 1 wordt de MH-lijst bewaard en bij herstart geladen.MIT=180..700MIT=350
      Bij file versturen op drukke frequenties, bij bijvoorbeeld 9600 baud moet deze
      parameter verhinderen dan de TNC vol loopt. Het getal is de minimale vrije
      bufferruimte in de TNC aangegeven, default is 350 (moet werken).
MLN=n                   MLN=10
      Aantal regels monitor-uitvoer voor het //MON-commando.
MMD=seconden            MMD=300
      Instelling van de schakeltijd bij MultiMonitor optie [esc] MM call>? . Het
      volgen van het QSO wordt beindigd na MMD= seconden geen ontvangen frames.
MMS=ON of OFF           MMS=ON
      Indien mogelijk zullen in de MultiMonitor herhalingen onderdrukt worden. Op
      langzame systemen is het misschien handig om dit uit te schakelen !
MOF=0 of 1              MOF=0
      Als MOF=1, wordt het monitorkanaal uitgeschakeld, zonder [esc] RDM en [esc] MM
      te benvloeden. Dit kan online in/uitgeschakeld worden [esc] CFG MOF=.
MRI=4..20               MRI=20
      Aantal maal dat het //RING commando toegestaan is. Als een //RING opdracht met
      een waarde hoger dan MRI= zal het aantal op drie gezet worden.
MTF=1..10               MTF=4
      Aantal frames dat in de TNC gebufferd wordt tijdens de uitzending, moet minstens
      zo groot als de MAXFRAME parameter (TNC-commando O). Het aantal niet uitgezonden
      zal ten hoogste twee groter zijn en beperkt worden door de "flow-control".
MWx=tekst               MWA=Jolly good afternoon
      Als MDx, maar nu zijn de teksten standaard in het engels:
      MWA=good morning        MWN=good afternoon      MWP=good evening
      Het is aante raden om deze, en/of de duitse teksten te vertalen.
MYC=call,call,...
      Hiermee kunnen diverse roepnamen ingesteld worden, te beginnen met het monitor
      kanaal, dan 1, 2 enzovoort. Wordt de maximale lengte overschreden, dan mogen er
      meerdere regels gebruikt worden. Dit is nodig indien het programma beindigd
      wordt met [esc] QRT N, waarmee de STATUS.SP gewist wordt.
N3P=0 of 1              N3P=0
      Gezet op 1 worden alleen //W commando's geaccepteerd die voor iedereen of de
      operator zijn, berichten van en aan derden is dan niet mogelijk.
NBC=tekst               NBC=STGT PLTTBG
      Lijst met NETROM IDENTS die genegeerd worden als ze gehoord worden.
NCT=0 of 1              NCT=0
      Op 1 gezet, worden de connect tekst (WELCOME.SP en GREETING.SP0 ook op NODE-
      kanalen gebruikt.
NDA=0 of 1              NDA=0
      Indien 0, SP disconnect als een Alt-C mislukt. Anders stopt het op het bereikte
      punt, gedeelte blijft geconnect.
NDI=0 of 1              NDI=1
      Op 1 gezet worden gemonitorde frames of pids, anders dan CF, F0 (bv TCP/IP)
      onderdrukt en weergegeven als "[not decoded]". Op 0 wordt het ongecodeerd
      weergegeven.
NET=0 of 1              NET=0
      Als NET=1 wordt bij ALT-P geen printer-controle uitgevoerd. Dit zou moeten
      zorgen dat in een netwerk geprint kan worden. NIET getest!
NIC=0..40               NIC=0
      Dient onder OS/2 gebruikt te worden voor een betere multi task. Omdat SP veel
      van de CPU vraagt, zouden andere toepassingen te langzaam lopen. Het getal is
      afhankelijk van het aantal gelijktijdig lopende taken.
NIH=ON of OFF           NIH=OFF
      Zet op ON om IP headers in MultiMonitor te onderdrukken.NLC=calls
      In deze lijst call staan de calls die om welke reden dan ook nooit in de logfile
      geschreven worden.
NLM=0 of 1              NLM=0
      Bepaald of de interne log-in tekst onderdrukt wordt (dan op 1 zetten).
NMC=0 of 1              NMC=0
      Als NMC=1 dan kan elk station slechts een keer gelijktijdig connecten.
                        NMC=0..40 (nieuwe versies)
      Hiermee kan bij SP 6.50 en SP 9.xx het aantal inkomende multi connect bepaald
      worden. Handig indien SP als een cross band gateway gebruikt kan worden. NMC=8
      betekend dat een station 8 keer gelijktijdig mag connecten. Zie ook MCL=.
NMM=calls
      In deze lijst staan roepnamen, gescheiden door spaties, die niet met een
      automatische MultiMonitor ([esc] MM call>?) gevolgd worden.
NOL=0 of 1              NOL=0
      Indien op 1 gezet is het automatisch loggen uitgeschakeld (mag in PA).
NOM=Tekst               NOM=Hallo \N, ben even met wat anders bezig.
      De tekst na = wordt bij elke connect uitgezonden als [esc] QRL geactiveerd is.
      Bij inschakeling staat in de status regel een "n". Als er geen tekst is
      opgegeven, wordt een standaard-tekst genomen. Bij het maken van deze tekst
      kunnen speciale tekens gebruikt worden. Online kan de tekst aangepast worden met
      [esc] CFG NOM=. De Flag (status) wordt bij ALT-X gewist.
NPR=0..2                NPR=0
      Dit is de prompt instelling. NPR=0 geeft geen SP-prompts, bij NPR=1 alleen op
      node kanalen en NPR=2 geeft altijd de prompt. Deze wordt na elk remote commando
      uitgezonden. Definitie zie NPS=.
NPS=tekst               NPS=\r\C de \M>
      Deze opdracht bepaald de tekst van de prompt (max. 60 tekens). Speciale tekens
      mogen gebruikt worden.
NRI=1..5                NRI=3
      Dit commando geeft aan hoe vaak het //RING commando gebruikt mag worden voordat
      een fout melding gegeven wordt.
NRS=0 of 1              NRS=0
      Indien 1 worden NETROM-frames geheel genegeerd in het monitor kanaal.
NS7=ON of OFF           NS7=OFF
      Bij ON wordt voorkomen dat ontvangen 7PLUS files in de SAVE file komen.
NSA=0..24               NSA=8
      Geeft aan vanaf welk uur geluid signalen mogen klinken, 0 betekend altijd.
NSM=tekst               NSM=Commando exhausted
      Deze opdracht mag 8 maal gebruikt worden en geeft foutmeldingen die normaal niet
      voor node gebruikt worden en die autorouting afbreken.
NSP=0..24               NSP=20
      Na dit uur worden geluidssignalen onderdrukt.
NSW=0 of 1              NSW=0
      Als NSW=1 dan worden //W commando's aan de SP gebruiker (call in kanaal 0 van
      TNC 0) geweigerd als SAVE aan is. In de stand ON wordt een foutmelding gegeven
      bij nieuwere versies.
NUM=0 of 1              NUM=0
      Op 1 gezet wordt de NUMLOCK altijd uitgezet, bij einde zo als het was.
NXB=ON of OFF           NXB=OFF
      Normaal worden 7PLUS en binaire data tijdelijk opgeslagen indien dit over een SP
      gateway verstuurd wordt. Bij ON wordt dit niet gedaan.
NXC=4..40               NXC=5
      Instelling TNC pogingen voor cross-connect. Bij HF, gebruik hoog getal.
OAS=0 of 1              OAS=0
Als OAS=1 wordt ALT-S gebruikt voor in- en uit-schakelen van SAVE. Bij 0 alleen uit.PAC=20..256PAC=236
      Instelling van PACLEN voor alle kanalen (zie PLS=).
PCH=Kanaal nummer       PCH=1
      Stelt het prioriteit kanaal, kan altijd bereikt worden met Alt-A.
PCL=ON of OFF           PCL=OFF
      Als PCL=ON verdwijnt het pop-up venster na een toets aanslag, ander na de tijd
      van POP= of als van kanaal veranderd wordt.
PLS=c:n.c:n,...         PLS=0:100,1:236,2:128
      Als PAC, maar nu per kanaal. "c" is kanaal, "n" is lengte. Zonder kanaal is de
      waarde gebruikt van PAC=.
PMA=0..7                PMA=1
      In geval van ernstige toetsenbord problemen kan deze parameter gebruikt worden
      om de interrupt van de 825p chip te veranderen. Doe dit alleen als het echt
      moet, als het moet experimenteer dan voor de juiste waarde.
PMS=0..7                PMS=1
      Experimenteer met deze waarde bij keyboard problemen op eigen risico.
POP=n                   POP=4
      Tijd dat het pop-up scherm in beeld is (in sec.).
PRI=1..30               PRI=3
      Stelt de keuze prioriteit die bepaald hoe vaak het hoofd programma doorlopen
      wordt, een niet actief kanaal mag niet gekozen worden. Ook voor experimenten.
QEC=commando
      Hiermee kan een [esc] commando uitgevoerd worden nadat //QUIT is ontvangen en
      voor de disconnect.
QRT=ON of OFF           QRT=ON
      QRT=ON stuurt altijd de interne "quit" tekst mee, bij OFF niet meer als alleen
      de QRT.SP gebruikt wordt.
QRV=call call call ...  QRV=PA4FDQ PA5TGE,C PE1YSS
      Elke keer als van deze stations een I-frame wordt gehoord, wordt er gewaar-
      schuwd. De ",C" betekent dat geprobeerd wordt het station te connecten (zie
      [esc] QRV). Er kunnen meerdere regels gebruikt worden.
      QRV=DL1MEN,C DL6MBI,OE1YSS
      QRV=PE1NFL,PA6BNV,C
QTX=text
      Als deze tekst is opgegeven, zal deze worden uitgezonden net voor elke random
      QRT bericht wordt uitgezonden.
RAT=300..7200           RAT=900
      Geeft de herhaaltijd van een succesloze "AT" autoconnect, 900 is normaal.
REC=n                   REC=0
      Instelling voor het aantal regels voor alle kanalen dat terug gelezen kan
      worden. "0" betekend "net zo veel als het geheugen aan kan". Het minimum is
      gelijk aan de grootte van het scherm; het maximum is 1999, bij oudere versies
      409. Zie ook RVS= voor instelling per kanaal. Merk op dat elke REC= 160 kB
      geheugen vraagt, tenzij SWP=1; in dat geval is er maximaal 320 kB geheugen nodig
      (met wat extra voor het scherm). Grote scroll buffers kunnen het systeem
      behoorlijk vertragen.
REJ=lijst
      Geef hiermee een lijst op van BBS onderwerpen die na [esc] SORT van het scherm
      verdwijnen. Er kunnen meerdere regels gebruikt worden. De onderwerpen scheiden
      door een spatie.
REM=0 of 1              REM=1
      Op 0 gezet zijn alle remote opdrachten uit.
RES=n                   RES=40000
      Geeft de hoeveelheid geheugen dat SP vrij moet laten bij gebruik. 40000 is een
      goede waarde, gebruik meer voor [esc] DOS of //QTH en dergelijke.RID=ON of OFFRID=ON
      Als RID=ON, wordt de SSID "reversed" na een //C connect.
RLG=0 of 1              RLG=0
      Indien RLG=1 worden alle REM-commando's gelogd in de file REMLOG.SP.
RMA=...                 RMA=1111111111111111111111111111111111111
      Als STATUS.SP niet bestaat bepaald deze cijfer serie de hoogte van de REMOTE
      opdrachten. Elke plaats is een opdracht in de volgorde van [esc] RM.
RMP=pad                 RMP=C:\SP\REM
      Stelt de subdirectory waar de gebruikers berichten kunnen lezen en schrijven.
      Het INSTALL programma stelt deze parameter automatisch in.
RUN=pad                 RUN=C:\SP\RUN
      Alle extern bruikbare commando's worden hier geschreven zie REMOTE).
RVS=c:n,c:n,...         RVS=0:100,1:409,3:200
      Als REC, maar nu per kanaal. Zonder kanaalnummer als REC (net als PLS).
SCT=n                   SCT=10
      Inschakeltijd voor de schermschoner, n is de tijd in minuten na de laatste
      toetsaanslag. Een gezicht springt over het scherm tot een connect of het
      indrukken van een toets.
SKP=1..9998             SKP=5
      Interne variabele, niet veranderen.
SLG=ON of OFF           SLG=OFF
      Bij ON wordt er voor elke gebruikte roepnaam een eigen log gemaakt.
SPA=ON of OFF           SPA=ON
      Als er 7PLUS files gelezen worden uit een BBS met niveau 3 worden deze opgesla-
      gen in de SPL= directory. OFF schakelt deze nuttige functie uit.
SPL=pad                 SPL=C:\SP\7PL
      Geeft het pad aan waar de 7PLUS delen automatisch worden gesplitst en bewaard,
      of handmatig met [esc] SP. Zonder opgave wordt SVP= gebruikt.
SRE=0..3                SRE=0
      Instelling voor herladen van tekst na Alt-X. Bij SRE=0 schakelt optie uit SP
      begint altijd met lege schermen.. SRE=1 slaat de buffers van alle kanalen op in
      de file SPENTRY.Cxx (xx = kanaal) en laad ze bij herstart. Bij SRE=2 wordt de
      ontvangstschermen bij ALT-X geheel opgeslagen als SPQSOWND.Cxx (xx=kanaalnummer)
      en wordt bij herstart opnieuw ingelezen. Dit kan 4,8 MB beslaan. De functie
      gebruikt de TMP= als directory, voorbeeld SET TMP=D:\ (voor batch-file). SRE=3
      gebruikt beide.
SST=0 of 1              SST=0
      Op 1 gezet wordt STATUS.SP periodiek opgeslagen.
ST2=ON of OFF           ST2=OFF
      Hiermee kan een tweede statusregel ingeschakeld worden die boven de bovenste
      status regel verschijn en een regel van het invoer scherm op eist. Op deze regel
      worden gegeven getoond tijdens file oversturen en wat andere nuttige informatie.
STC=0..255              STC=1
      Stelt het teken in voor de beeldscherm-schoner. De waarde kan decimaal en
      hexadecimaal gegeven worden, default is 2.
SVB=pad                 SVB=C:\SP\SAV
      Instelling van de directory waar SAVE-files normaal opgeslagen worden.
                        SVB=C:\SP\SAV.OLD (nieuwe versies)
      Als gewiste SAVE bewaard moet worden, komen ze in deze directory.
SVM=ON of OFF           SVM=ON
      Normaal wordt bij SRE=2 of 3 alle QSO scherm bewaard. Bij SVM=OFF zal het
      monitor scherm nooit bewaard worden.
SVP=pad                 SVP=C:\SP\SAV
      Geef hier het pad op waar de SAVE files ([esc] SA) opgeslagen worden.SWP=0,1,2SWP=4
      Instelling voor bufferopslag. SWP=0 schakelt de optie uit. SWP=1 OF SWP=2
      gebruikt alleen nog maar een extended memory. Elke waarde hoger dan 2 geeft een
      drive aan waar 3=C: enz. Merk op dat dit "swappen" erg snel is, maar daarvoor is
      ten minste 2 MB RAM. Daar is wel een XMS-manager nodig zoals HIMEM.SYS. De
      werksnelheid van SP wordt ten opzichte van de RAMDISK sneller, vooral bij
      opstarten.
SYD=4..20               SYD=5
      Interne timer, nadien wordt de TNC synchronisatie als verloren beschouwd.
SYO=4..30               SYO=10
      Net als SYD=, maar voor OS/2. Timers hoeven normaal niet verandert te worden.
TIC=0 of 1              TIC=1
      Op 1 gezet wordt op het monitor kanaal een regel met de laatste 7 (DRSI 6)
      gehoorde calls per TNC (DRSI PC*PA telt als een TNC) gehoorde stations. TIC=0
      schakelt de optie uit.
TMD=n                   TMD=900
      De DO-Timer. Dit is de maximum tijd, in seconden, tussen DO-prompts.
TMI=n                   TMI=90
      Tijd tussen start Alt-C en connecten van het eerste station in het pad.
TML=n                   TML=210
      Maximum tijd tussen twee nodes tijdens Alt-C connects.
TMM=0 of 1              TMM=0
      Als TMM=1 is de "MM-Tracking" aan. Dan de 20 recentst gehoord QSO-partners
      worden opgeslagen voor latere selectie als MultiMonitor doelen. 
                        TMM=22 (nieuwe versies)
      Idem. Als TMM=0 wordt er niet gecontroleerd, anders zullen de 'n' laatste QSO's
      getoond waarna met [ctrl] [F6] een keuze gemaakt kan worden. Het kleinste aantal
      is 5, maximaal is aantal schermregels min 3.
TMP=pad                 TMP=C:\SP\TMP
      Hier wordt de (sub)directory gegeven waar de vensters worden opgeslagen als SRE
      1, 2 of 3 is. Moet normaal gesproken niet ingesteld worden. Als TMP niet
      gedefinieerd is, wordt de SPDIR gebruikt. Het ideale is dat TMP kan beschikken
      over voldoende grote RAM disk.
TOP=5..13               TOP=5
      Stelt de eerste regel van het QSO en bepaald de omvang van het ontvangst-scherm.
      Het minimum aantal regels in dit scherm is 3 op alle vensters. Dus met TIC=1 en
      4 TNC's is het minimum voor TOP is 8.
TYP=0..31               TYP=31
      Als MF2=1 dan wordt met dit bevel de herhaling-snelheid (0 snel - 31 traag)
      ingesteld. LET OP: de waarde is ook na beindigen van het programma vast. Als
      MF2=0 of MF2= na TYP= in CONFIG.SP komt, dan heeft TYP geen werking. SP zet
      MF2=1 bij herkenning.
TZO=time zone           TZO=UTC
      Selecteert de naam van de tijdzone, heeft niets te maken met UTC=, maar is voor
      uitvoer (teken omzetting code \z; zie 17).
UDS=0, 1 of 2           UDS=1
      Met UDS=1 klinkt een signaal als op een andere poort data binnenkomt.
      Bij UDS=2 ook als in de lage statusregel iets gewijzigd is.
UMB=0 of 1              UMB=0
      Als UMB=1 wordt voor de opslag getest of een beeldschermbuffer in het UMB-bereik
      van DOS 5 / 386 gemaakt kan worden, wat 64 k kan besparen. Bij de nieuwe versies
      wordt dit automatisch ingesteld indien DOS 5 of later gedetecteerd wordt en in
      de CONFIG.SYS DOS=UMB staat. De rest van UMB komt hiermee ten goede voor SP.UPC=roepnaamUPC=PA6BNV
      Geeft alle niet gebruikte kanalen deze call om te connects te voorkomen die SP
      niet herkent. Het [esc] MM commando gebruikt UPC= om te voorkomen dat op een
      monitor kanaal een connect plaats vindt.
UTC=n                   UTC=-7200
      Dit commando stelt het verschil tussen lokale- en UTC-tijd in seconden. Het is
      verstandig om UTC=0 te geven en de computer op UTC te zetten.
VBn=commando            BVn=R %s
      Hiermee kunnen maximaal 8 opdrachten, n= 0..7, die in VIEW mode [alt] V getoond
      worden als de toetsen 1..8 ingedrukt worden. Speciale SP tekens (zie hoofdstuk
      17) mogen gebruikt worden, maximaal 60 tekens per regel.  Dit kan van pas komen
      als (co-) SYSOP van een BBS. Het gedeelte "%s" wordt vervangen door onderwerp en
      berichtnummer.
VIC=0 of 1              VIC=1
      Indien op 1 gezet worden bij ALT-V lees- en wis-opdrachten op een regel geschre-
      ven met ";" gescheiden (zie verder ALT-V)
VIT=control string
      Met deze opdracht kan een BBS regel gedefinieerd worden, om met dergelijke
      regels te werken in VIEW mode. Dit commando mag 5 keer gebruikt worden voor 5
      BBS'en. De opbouw van een VIT regel is:
      VIT=xNNNN ???????>?R??????????M DD.DD.DD
      De betekenis van elke teken is als volgt :
      x= soort BBS
            1 DK5SG BBS, vaak ook W0RLI en WA7MBL     2 TheBox (oud)
            3 TheBox (nieuw)                          4 TheBox LIST
            5 DB0IE BBS                               6 F6FBB BBS
      De overige tekens hebben de volgende betekenis:
            N Teken of spatie             ? teken naar benodigd
            R Eerste letter van onderwerp M laatste letter van onderwerp
            D elk teken
      R en M zijn alleen relevant voor TheBox en gelijken.
WA8=0 of 1              WA8=1
      Bepaald of de gemonitorde frame weergegeven worden in het WA8DED formaat.
WEC=opdracht
      Voert een opdracht uit iedere keer wanneer WELCOME.SP als connect tekst gebruikt
      wordt. De opdracht mag elk [esc] commando zijn en maximaal 99 tekens lang zijn.
WEL=ON of OFF           WEL=OFF
      Ingeschakeld toont het de tekst van GREETING.SP en/of WELCOME.SP in het QSO
      scherm als je geconnect wordt.
WLV=3..99               WLV=4
      Stelt het aantal pogingen, waarna dit getal in status-regel verandert (in te
      stellen met AWA=).
WTM=seconden            WTM=0
      Tijd waarna een tegen station een time-out waarschuwing krijgt bij in-activi-
      teit. WTM= het aantal seconden voor de time-out; bij 0 geen waarschuwing.
WWA=0 of 1              WWA=1
      Als WWA=1 dan klinkt een toon als het einde van de regel bijna bereikt is.
XFI=ON of OFF           XFI=OFF
      Dit commando moet gebruikt worden als SP als cross-band gateway werkt en in het
      bijzonder wanneer er met verschillende baud-rates gewerkt word. Bij ON volgt een
      tijdelijk bufferen van de TNC "flow-control" in een bestand, in plaats van het
      direct door te sturen. Deze heeft als naam FIFO.Cxx, waar xx het kanaal nummer
      is en wordt in de TMP= directory opgeslagen. Met MIT is wordt het punt bepaald
      waarop de TNC data op schijf wordt opgeslagen.XIT=0..2XIT=1
      Bepaald de "exit mode". XIT=0 stoppen kan alleen met [esc] QRT, XIT=1 is
      normaal, XIT=2 vraagt om bevestiging.
XKB=0 of 1              XKB=0
      Op 1 gezet wordt de keyboard interrupt uitgezet tijdens TNC communicatie. Alleen
      gebruiken als er RESYNC-problemen zijn met keyboard gebruik.
YRL=ON of OFF           YRL=OFF
      Zet op ON als het jaar 4 cijferig getoond moet worden.

Zoals je kunt zien biedt CONFIG.SP enorm veel verschillende mogelijkheden die veel
gebruikers niet kunnen doorgronden. Er zijn weinig dingen die je net aan je eigen
eisen kunt aanpassen. Het is daarom van belang te weten dat het INSTALL programma
slechts een minimaal aantal parameters instelt, de meesten moeten ingesteld worden
door CONFIG.SP aan te passen. Let op dat deze file geen lege regels mag bevatten, je
kunt een blok scheiden door enkel een # te plaatsen aan het begin van een regel,
commando's kennen dan hun default-instelling. Het behoeft geen uitleg om direct een
werkende kopie van CONFIG.SP te bewaren voor veranderingen, neem b.v. PCTOOLS.

4 Files
SP gebruikt een aantal files tijdens werken. Met uitzondering van SP.EXE en SPO.EXE,
moeten alle files in de SPDIR staan. Deze SPDIR geeft aan waar alle files gevonden
kunnen worden en opgeslagen moeten worden. In de versie op deze schijf staan deze in
C:\SP. C:\SP\CFG wordt hier gebruikt om de backup files op te slaan. Het is mogelijk
om in de AUTOEXEC.BAT dit pad in te stellen met:  SET SPDIR=C:\SP
Om zeker te zijn dat dit bij het opstarten gelezen wordt, dient dit aan het begin van
de file te staan. In vergelijking tot oudere versies zijn de file-namen gewijzigd. Bij
de uitleg staan de "oude" name tussen ().

4.1 AT.SP         (SP.AT)
Controleert automatische connects. De file bevat commandoregels met een tijd en een
.DO file. Als de regel begint met *, dan moet een [esc]-commando worden uitgevoerd.
Echter veel [esc]-commando's kunnen NIET gebruikt worden. Alle regels moeten voldoen
het formaat zoals in het voorbeeld, en geen spaties bevatten. AT.SP mag 60 regels lang
zijn. Let op dat er een commando gelijk tijdig uitgevoerd wordt.
      ??:30:DB0AAB.DO                     => SP 6.50 en 9.xx
      21:05:*&2:D                         => SP 6.50 en 9.xx
      23:01:DB0CZ.DO
      23:59:*ALL station sluit over 5 minuten !
      00:04:*QRT
Een uitleg van het bovenstaande voorbeeld :
??:30:DB0AAB.DO   Voert de file DB0AAB.DO elke 30 minuten over het uur uit.
21:05:*&2:D       Disconnect kanaal 2 om 21.05. Zonder "&x:" (X=kanaal nummer) zal het
                  gekozen kanaal gedisconnect worden. 
23:01:DB0CZ.DO    Voert de files DB0CZ.DO uit om 23.01.
23:59:*ALL sta... Het [esc] ALL commando wordt uitgevoerd, na ALL mogen spaties
                  gebruikt worden voor de tekst.
00:04:*QRT        Als boven, maar nu [esc] QRT, sluit SP af.

In AT.SP kan aangegeven worden als een opdracht niet slechts een keer uitgevoerd moet
worden middels een"," aan het einde van een regel, dus:     23:01:PI8TMA.DO,

4.2 CKEYGR.COM
Een duitse keyboard driver.4.3 CONFIG.SP(SP.CFG)
Configuratie file voor SP en TNC werk parameters. Deze commando's zijn behandeld in
hoofdstuk 3.4.

4.4 DXC.DAT
Het is aan te bevelen om deze, samen met DXC.EXE in de sub-directory \DXC te plaatsen.
Deze lijst bevat alle DXCC-landen, cordinaten om de afstand en antenne hoek te
bepalen en verschil lokale tijd ten opzichte van UTC.

4.5 DXC.EXE
Dit programma werkt samen met DXC.DAT en moet in de zelfde directory staan. Bij een
melding van een DXCluster (opgegeven bij CLU=) zal info getoond worden die bij de
prefix hoort.

4.6 GREETING.SP   (SP.SPW)
Een file voor persoonlijke begroetingen. Calls en andere informatie worden hier ook
opgeslagen. Het algemene formaat is:
@CALL:pNaam tekst:tekst ...
tekst ...
Het start teken "@" wordt direct gevolgd door de roepnaam, een afwijkende SSID mag
opgegeven worden, de call zonder SSID moet dan na de SSID call(s) volgen. Voor BBS is
dit niet nodig. Deze wordt door de : gescheiden, daarachter staat de parameter "p"
voor REMOTE commando's (zie verder), met direct daar achter de naam van de operator en
eventuele andere informatie; deze zal getoond worden bij een connect in een popup-
window. De naam en informatie wordt door een spatie gescheiden. De extra informatie
mag slechte 29 tekens lang zijn. Het geen tussen de eerste en de tweede ":" of einde
van de regel staat, verschijnt in het pop-op venster. De tekst na de tweede : en de
volgende regel(s) zal naar het station gezonden worden. Dit mogen meerdere regels
zijn, met een maximum van 1000 tekens. Een regel mag maximaal 255 tekens bevatten. De
tekst stopt bij de volgende @ of het einde van de file. De naam (eerste woord na ":")
wordt onthouden, en kan met [alt] I opgevraagd worden tijdens de verbinding.
Als meerdere mensen een station bedienen (familie, club) kunnen een aantal files
gemaakt worden met de naam van de operator als filenaam (bv PI4AMF.SP). Let op dat ook
de gebruikte BBS'en in de GREETING.SP zet met niveau 3, om te voorkomen dat bij het
binnenhalen van tekst je station foutmeldingen naar het BBS stuurt, die daar ook weer
op reageert. 
De waarde "p" kan ook de volgende betekenis hebben in plaats van het bedieningsniveau:
B : voor TheBox waarvoor een wachtwoord bestand bestaat, automatisch niveau 3
b : voor een BayCom BBS met wachtwoord bestand
F : voor een F6FBB BBS om de BGET en BPUT functies van 5.15 en later te herkennen.
* : geen connect mogelijk, wordt zonder mededeling gedisconnect
Tp: om met TCP/IP stations in AX25 te werken, p is remote niveau
Verder kan met de nieuwe versies prefixen gelijk behandelt kan worden door na de
prefix een "?" te plaatsen, als voorbeeld het blokkeren van PD-stations :
      @PD?:*
      @PE1JDX:*  , dit station wordt dan zonder commentaar gedisconnect.
Het privilege getal kan door een opdracht tussen dollar tekens gevolgd worden. Wat
tussen deze tekens staat, zal als [esc] opdracht uitgevoerd worden als het genoemde
station connect. Hier een voorbeeld van de [esc]//CAT opdracht indien PA0TMA connect :
      @PA0TMA:4$//CAT$Evert:Hallo Evert...

4.7 INFO.SP       (SP.INF)
Deze file kan informatie bevatten over het station, maar moet klein gehouden worden (2
k maximaal). De file wordt uitgezonden na een //INFO commando.4.8 LOG.SP(SP.LOG)
Dit bestand wordt door SP gemaakt en bevat het logboek. Elke verbinding wordt
genoteerd als de verbinding verbroken wordt. De datum, begin- en eind-tijd, eigen call
frequentie, tegenstation en digipeater worden bewaard, als onderstaand voorbeeld :
11.01.1995 15:16 - 11.01.1995 16:34 PE1JDX-7  430.725>PI8DXE v PI8RNI
De ">" staat voor uitgaande, de "<" voor inkomende verbinding. Verder wordt ook
middels een "P" aangegeven als het tegenstation SYSOP status heeft. Bij nieuwe versies
zal indien SLG=ON voor elke gebruikte roepnaam een bestand roepnaam.LOG gemaakt worden
(PI4AMF.LOG)

4.9 MACRO.SP      (SP.MAC)
File voor keyboard macro's. Deze file wordt automatisch gemaakt als de eerste macro
gedefinieerd wordt. Niet veranderen met een editor ! (niet compatibel met SP5).

4.10 MHEARD.SP    (SP.MHL)
Deze file wordt gemaakt als MHS=1, mag niet ge-edit worden.

4.11 NEWS.SP            (SP.NWS)
Deze file met extra nieuws wordt uitgezonden na ontvangst van //NEWS.

4.12 NOGATE.SP    (SP.NOG)
Dit bestand wordt gebruikt om bepaalde stations of groepen te weren van TNC's. Het is
wat complex en zal hoofdzakelijk gebruikt worden bij meerdere TNC's om de gateway
functie te blokkeren. Algemeen formaat :        TTTTTTTTPPPPPPPP:CALL
"T" is de TNC, links naar rechts = TNC 0 tot 7 (5..8 reserve). "P" verwijst alleen
naar een DRSI-kaart en de 8 poorten. Bij gebruik van een TNC2 moet dit aanwezig en
leeg zijn. De ":" wordt gevolgd door de call of een deel daarvan, gevolgd door *. De
"x" en "X" voorkomt dat een TNC of DRSI-poort gebruikt wordt met een //C commando.
Elke ander teken laat cross-connects toe. Een paar punten :
 -    Een DRSI kaart met X gemerkt in het TNC-veld, is geen poort vrij voor cross-
      connects.
 -    Er is geen beperking voor in- en uit-gaande TNCs (of DRSI) zijn gelijk.
 -    Ook als geen DRSI-kaart gebruikt wordt, moeten de velden gemerkt zijn.
Voorbeelden :
.xx.............:DB0ABC Geen cross connect tussen TNC 1 en 2
x........x......:DC*    Geen cross connect tussen TNC 0 en DRSI poort 1
xxxxxxxxxxxxxxxx:*      Geen cross connects toegestaan
Hier geldt dat een station niet op een andere frequentie kan connecten, dan waarop hij
binnen komt. Een DC station uit het voorbeeld, die op TNC 0 connect, kan met //C op
TNC 0 wel een uitgaande verbinding opbouwen en zijn er geen beperkingen.

4.13 PASSWD.SP    (SP.PWD)
Deze file bevat het SP paswoord. Het bestaat uit regels van 70 tekens lang. De call is
de eerste 6 tekens (met spaties als de call korter is). De call moet in hoofdletters
gegeven worden. De rest van de regel bevat willekeurige tekens (het tegenstation moet
die regel ook kennen).
xxxxxx01234567890123456789012345678901234567890123456789012345678901234567890123
DL1MENhfhegfudfjvjkshclisdglmkdlfbhxkdfmldrfjhoirty9krdifclvynbtofijmlfvn,kfggg6
N5NX  97034to45jheglhnh3cf8t772onw674trcsr98beytvn4l8r56b7yvjncmq98emx4tolcwtk5k
De eerste regel is een hulp voor het invoeren van nieuwe calls en wordt genegeerd
(kleine letters). Het formaat kan ook gegeven worden als in FLEXPW.SP (zie aldaar).
Voor de nieuwe versies geldt dat elke regel de roepnaam en een getal tussen 0 en 65535
bevat; voorbeeld : DK4NB=45678.4.14 PATHLIST.SP(SP.PTH)
PATHLIST.SP is om paden vast te leggen voor autorouting. Alle bekende en nodige paden
kunnen hier opgeslagen worden. Dit is een tekst file met de specificaties en mag
regels bevatten met opmerkingen, deze moeten met "#" beginnen. Lege regels zijn niet
toegestaan. Merk op dat de gegeven voorbeelden niet kunnen werken in je eigen regio,
deze zijn bedoelt als uitleg. Algemeen formaat :
      144.610:W5ES-1 N>N5RG N>W5ES >=BOX
      ------- ------ ------------- -----
         ^      ^           ^        ^
         |      |           |        verkort
         !      !           pad naar station
         !      doel
         frequentie

Een pad regel bevat een frequentie, een ":" en de specificatie. De frequentie bestaat
uit 7 tekens en is de werk frequentie, hier 144.610. Wordt "XXX.XXX" opgegeven, dan is
het pad geldig voor elke frequentie. Na de dubbele punt volgt de bestemming en het
eventuele pad en waar nodig een alias. De delen moet door n enkele spatie gescheiden
worden. De specificatie bestaat uit een of meerdere elementen die naar het doel leidt.
Ieder element bestaat uit een aanduiding en een call, deze worden met ">" gescheiden.
De call is die van een node die een stap dichter bij de bestemming is.
Voorbeelden :
      433.650:DB0MWE-7 N>MW70-* N>MW23
      433.675:DB0CZ N>#M7-* N>DB0AHO-1 N>DB0HP-1 D>DB0HP =>MYBOX
      438.175:DB0CZ N>#MW3-* N>DB0AHO-1 N>DB0HP-1 D>DB0HP =>MYBOX
      438.175:DB0PV N>#MW3-* N>BBS
      433.725:DB0BOX N>DB0LAN-2
      438.100:DB0GV N>DA1NP-7 D>DB0AJA D>DB0KT
      430.650:DB0GV F>DB0ODW D>DB0KT
      438.175:df0fk-2 N>MW70-* N>DC3MX-7,1
      438.175:? N>MW70-*
Dit formaat moet strikt aangehouden worden. De regels mogen maximaal 255 tekens lang
zijn. Er moeten hoofdletters gebruikt worden, met drie uitzonderingen. 1) "k>" (zie
verder); 2) kleine letters in de call zoals "df0fk-2" in voorbeeld. In dit geval is
het pad niet zichtbaar als //P en //T gegeven worden. Het kan geconnect worden, als
men het bestaan kent.
N> staat voor een net-node, los van het type zolang het een NET/ROM-achtige status
melding geeft als: #M7:DB0PV-7> Connected to HPBG23:DB0AHO-1.
n> is gelijk aan N>, behalve dat "C! CALL" wordt uitgezonden. Dit geeft aan het
remote-station dat RECONNECT uitgeschakeld wordt. Werkt alleen met SP en TheNet node.
F> geeft een FlexNet node (vanaf versie 2.2). Deze connect boodschap wordt vervangen
door "(FlexNet)> Connected to...".
D> duidt op een simpele digipeater. Alle digipeaters MOET(EN) de laatste call(s) zijn,
met uitzondering is de komma-scheiding, zoals volgt:
      438.100:DK0MAV N>DA1NP-7 N>DB0GOE-4,DB0AJA,DB0KT N>BSBOX
In dit geval kunnen digipeaters overal in het pad staan.
=> wijst op een symbolische padnaam. Dit moet aan het einde van de regels staan en
wordt verder genegeerd. De naam na => mag gebruikt worden in plaats van de call. In
het voorbeeld boven hebben ALT-C DB0CZ en ALT-C het zelfde effect.
Als -* als SSID opgegeven wordt, vervangt SP de * met het poortnummer om zo multicon-
nects naar het zelfde NET/ROM of TheNet IDENT met een roepnaam.
Als de bestemming een enkel vraagteken is, dan is het gespecificeerde pad is het
default pad alsof " ." toegevoegd is in het ALT-C commando zoals in "C DX3MX .". LET
OP dat veranderingen in PATHLIST.SP pas werken na herstart van SP.
SP ondersteunt beperkt hirarchische paden middels de "L>=" specificatie, de zgn. LAN.
Om ruimte te besparen in PATHLIST.SP en om toevoegen van paden gemakkelijker te maken,
een LAN kan gebruikt worden voor vaak gebruikte verre nodes.
LAN ingangen kunnen ook geconnect worden door opgaven van de volledige symbolische
naam inclusief de "=" Deze paden kunnen beter niet aan remote stations bekend gemaakt
worden. Om dat voorbeelden meer zeggen dan 1000 woorden, een wat complex voorbeeld
voor de omgeving van Mnchen:
      438.175:DF3AV L>=BRAUNSCHWEIG
      438.175:DB0BQ L>=PADERBORN N>PBMB
      438.050:DB0AAB-2 L>=direct
      XXX.XXX:DK6GC L>=KFB3 D>DB0HP,DB0DQ
      XXX.XXX:DB0CZ L>=KFB3
      ...
      XXX.XXX:=BRAUNSCHWEIG L>=GOETTINGEN N>BS
      XXX.XXX:=PADERBORN L>=GOETTINGEN N>DB0AX
      XXX.XXX:=GOETTINGEN L>=ANSBACH N>DB0GOE-4,DB0AJA,DB0KT,DB0DA,DB0MW
      XXX.XXX:=ANSBACH L>=OPF5 N>DG3NBH-9,DB0ABH-2 N>FUE N>DA1NP-7,DL8NN-7
      438.175:=OPF5 N>MW70-* N>#MW5 N>DB0LAN-2 N>DB0EV-5
      439.325:=KFB3 N>DB0AHO N>DB0KFB-3
      433.675:=KFB3 N>M70-* N>MW70 N>DC3CD-2 N>DF0FK-2 N>DB0KFB-3
      438.175:=KFB3 N>MW70-* N>DC3CD-2 N>DF0FK-2 N>DB0KFB-3
Als het pad naar Ansbach dicht is, is het voldoende om die ingang opnieuw te defini-
ren. Als een pad naar DK0MAV toegevoegd wordt (bereikbaar via BS TheNet) hoeft
slechts de volgende regel aan het begin bijgezet worden.
XXX.XXX:DK0MAV L>=BRAUNSCHWEIG
Een frequentie,aangeduid met XXX.XXX betekend dat de frequentie bepaald wordt door het
eerste LAN. Het is niet nodig om XXX.XXX exact te bepalen het is voldoende dat het
eerste teken geen cijfer is en dan er 7 tekens gebruikt worden. Z\Aldus is het
duidelijk dat DB0CZ en DK6GC via autoroutes bereikbaar zijn op drie verschillende
frequenties. De speciale LAN "direct" (in kleine letters) moet niet gedefinieerd
worden en geeft een directe connect aan. Als vanwege een verkeerde LAN specificatie de
autorouter een L>= opdracht niet kan uitvoeren, zal het connect commando verworpen
worden.

4.15 PFKEYS.SP    (SP.PFK)
In deze file staan veel gebruikte standaard teksten. Deze worden geladen als SP start
en worden uitgezonden door het indrukken van [shift]-[F1] t/m [F12].
PFKEYS.SP is regel georinteerd, /F aan het begin van een regel is de start van een
definitie (deze met dus NIET met /F beginnen). De tekst mag max. 1023 tekens lang zijn
en speciale tekens mogen gebruikt worden. Zie de file voor voorbeelden.

4.16 QRGLIST.SP   (SP.QRG)
Dit bestand wordt gebruikt om de frequentie te bepalen. Alleen calls die op slecht een
frequentie uit komen, kunnen opgenomen worden (BBS'en, LAP's e.d.). Een regel moet
beginnen met # voor informatie, of een frequentie bestaande uit 7 tekens. Tussen de
frequentie en de call(s) mag slechts een spaties staan, gebruik maximaal 20 regels.
Voorbeeld:
      144.675 DL8RAF-2 DL6MBZ-2 DA1CM
      433.650 DB0MWE MW70
      433.675 DB0PV DB0PV-7 #M7
      438.050 DB0AAB DB0AAB-7
      438.175 DB0MWE-3 #MW3
      439.325 DB0AHO HPBG70
      299.200 DB0MWE-1 DB0PV-3 DB0AHO-1
      014.099 DK0MWX
Als je weinig QRV bent, maak dan geen QRGLIST.SP.4.17 QRT.SP(SP.QRT)
Hier kunnen teksten opgeslagen worden die na //QUIT worden uitgezonden. Op de
simpelste manier wordt de hele file uitgezonden. Er kunnen meerdere teksten op te
slaan, waarvan er een wordt uitgezonden. De opbouw van het bestand is als volgt :
\3
\
Tekst 1
\
Tekst 2
\
Tekst 3
De backslash is de scheiding. Het eerste teken in de file moet \ zijn, gevolgd door
het aantal berichten. Elk bericht mag maximaal 1000 tekens zijn gescheiden door de \.
De end-of-file bepaald het einde van het laatste bericht.
Merk op dat voor de nieuwe versies 6.50 en 9.xx in plaats van \ de | gebruikt wordt !

4.18 RELEASE.NTS
Deze file is in de vertaling opgenomen. Normaal bevat dit wijzigingen ten opzichte van
de vorige versie.

4.19 REMHLPD.SP   (SP.RHD)
Duitse tekst voor //HELP.

4.20 REMHLPW.SP   (SP.RHW)
Help tekst in Nederlands of engels. Elke regel die begint met // wordt de "//" wegge-
haald als HELP op een node kanaal wordt gegeven. De andere regels worden onveranderd
uitgezonden.

4.21 SP.EXE
Het eigenlijke programma.

4.22 SPO.EXE
Als boven, maar nu met vele code overlays. Dit bespaart ongeveer 64 k RAM, maar moet
alleen gebruikt worden samen met een disk-cache programma of vanaf een RAM-disk.
SPO.EXE gebruikt EMS of XMS geheugen indien voorhanden en kan dan vanaf elke disk
gestart worden.

4.23 SP.ICO
Een icoon voor Windows. SP mag alleen in "386enh" mode gebruikt worden.

4.24 SP2.ICO
Dit bestand bevat een icoon voor OS/2 2.x.

4.25 SP.PIF
PIF-file voor gebruik onder windows. Mag verandert worden met de PIF editor als je SP
zonder INSTALL op drive C gezet hebt.

4.26 STATUS.SP    (SP.STA)
Slaat de parameters op bij verlaten van SP en wordt bij start herladen. Niet editten
worden. Latere versies maken automatisch een nieuwe file.

4.27 SUBST.SP
Hiermee kunnen vervangende teksten opgegeven worden. Elke regel bestaat uit twee
delen, gescheiden door een dubbele punt. Voorbeeld:
      JDX:PE1JDX @ PI8TMA.#GLD.NLD.EUAls na het intypen van JDX [ctrl][F9] wordt ingedrukt wordt het vervangen door wat
rechts staat van : . Voor het te vervangen woord moet een spatie staan, voorbeeld :
      S JDX[ctrl][F9]         wordt verandert in
      S PE1JDX @ PI8TMA.#GLD.NLD.EU

4.28 TFPCR.COM
Een KISS mode besturing voor PK232, KAM e.d.; zie TFPCR.ENG.

4.29 TFPCR.ENG
Beschrijving van TFPCR.COM, lees dit goed als je TFPCR gebruiken moet.

4.30 TFPCXvvv.EXE
Dit is een zelf uitpakkend programma met TFPCX en de documentatie, vvv is ver versie
nummer. TFPCX moet gebruikt worden in combinatie met BayCom modems, USCC kaarten en
KISS TNC's. TFPCX is ontwikkeld door DF0FT.

4.31 TNCS
Tips voor TNC gebruik (duits). Is opgenomen in deze beschrijving.

4.32 UNTFPC.DOC
Documentatie (duits) voor UNTFPCR.EXE. Gebruik op eigen risico !

4.33 UNTFPC.EXE
Verwijder TFPCR.COM uit geheugen. LET OP het beste is rebooten middels
[ctrl[alt][del]).

4.34 USERS
In deze file kunnen diverse stations opgeslagen worden, met daarbij hun naam, woon-
plaats, en andere gegevens. Dit is op te vragen met [esc] UL. Voorbeeld :
<call>  <info>

4.35 WELCOME.SP   (SP.WEL)
Algemene begroetingstekst voor iedereen die NIET in GREETING.SP staan, of iedereen
indien CTE=1. Elke CTEXT gaat samen met een "roepnaamregel" die met "@" begint gevolgd
door de call. Een tweede @ in plaats van de call geldt voor de overige calls. Alle
tekst tot de volgende @ wordt naar de gebruiker gezonden. Speciale besturingstekens
(zie 17) kunnen hier naar hartelust gebruikt worden. Per roepnaam mag maximaal 1000
tekens gebruikt worden. Wordt de roepnaam gevolgd door ",n" (n=0..4) dan geldt de
tekst alleen voor TNC n, dit laatste is alleen van toepassing op de nieuwere versies.
In het volgende voorbeeld de WELCOME.SP voor twee calls en een "gast".
      @PE1JDX
      Dit is PE1JDX - toets //H voor help
      Poort \K QRG=\Q
      @PI4AMF,n
      Club Station VERON afd Amersfoort
      @@
      Hoi, Ik ben /P bij PE1JDX's station
De derde CTEXT wordt gebruikt als een bezoeker gebruik maakt van het station en een
poort benoemd met MYCALL. Besturing-tekens zijn mogelijk.

5 Scherm layout
Het scherm bestaat uit maximaal 5 delen:
- het tekst invoer scherm:
      Alle commando's en uit te zenden tekst die wordt ingevoerd worden hier weergege-
      ven. Het is 3 tot 13 regels groot en staat altijd bovenaan het scherm. De
      grootte wordt in CONFIG.SP ingesteld met TOP=. Ieder kanaal heeft een eigen
      invoerscherm en heeft een kleine, doch effectieve editer, die maximaal 700
      regels kan bevatten (ingesteld middels EBL= en EBS=). In 5.2 volgt een uiteen-
      zetting van deze tekstverwerker.
- de kanaal-status regel:
      Deze regel staat direct onder het invoerscherm en bevat informatie over de
      belangrijkste zaken voor het gekozen kanaal, en de tijd.
- het terminal (QSO-) scherm:
      Dit scherm kan tot twee regels verkleind worden. Alle tekst door de TNC
      ontvangen komt hier. Normaal wordt ook de uitgezonden tekst hier weergegeven. De
      "monitor-tekst" wordt hier niet weergegeven, tenzij kanaal 0 gekozen is. Dan
      heeft het scherm een vaste omvang. De omvang wordt per kanaal (BSG=OFF) of
      globaal (BSG=ON) bepaald en kan met [ctrl][PgUp] en [ctrl][PgDn] ingesteld
      worden.
- de onderste status regel:
      Deze regel bakent het terminal scherm af en toont de geconnecte calls (zonder
      SSID). Als op een kanaal data binnen gekomen is en niet gelezen, knippert de
      call. Er staat een blok-cursor  links naast de roepnaam op het gekozen kanaal.
      Niet gebruikte kanalen worden aangeduid met "discon". Als CHN=ON zal in plaats
      van "discon", "discXX" verschijnen (alleen bij nieuwere versies) waar "XX" het
      kanaalnummer is. Als kanaal 0 (monitor kanaal) gekozen is), staat deze regel
      direct onder de kanaal-status regel. Zijn meer dan 10 kanalen in gebruik, dan
      worden meerdere regels gebruikt. Elk veld kan hier drie verschillende kleuren
      hebben. Normaal wordt ABS= gebruikt, ADC= voor een vrij kanaal en ABI= voor een
      kanaal waar niet gelezen data is binnen gekomen.
- het monitor scherm:
      Dit is kanaal 0, of het gedeelte onder de lage status regel. Alle ontvangen data
      wordt hier getoond. TCP/IP verkeer kan (bij SP 6.50 en 9.xx) hier gedecodeerd
      worden. Tekst, die in het monitor scherm (kanaal 0) wordt getypt (met [ENTER]0
      wordt uitgezonden als UI-frame. De keuze van de TNC gebeurt met de [esc] UI
      opdracht. Dit nummer is op kanaal 0 het meest links cijfer.
Hier volgt een voorbeeld lay-out van een beeld.

      c db0mwe
      c bbs
      c db0pv
      |1|DB0MWE|DL1MEN-1|IXF|00|00|00| 00:30|433.675|ES |11:04:51

      (1) CONNECTED to DB0MWE - 01.06.89 11:03:34
      #MW3:DB0MWE-3> Connected to BBS:DB0PV-15
      BBS:DB0PV-15> Connected to DB0PV
      *** Willkommen bei DB0PV - Port #5 ***

      Letzter Login 01.06.1989  07:40
      Gruess Gott Sigi !

      Fuer DL1MEN ist keine Nachricht gespeichert.

      (DL1MEN) >>

      DB0PV| discon |discon |discon |discon |discon |discon |discon
      Fuer DL1MEN ist keine Nachrich
      fm DL1MEN to DB0MWE-3 ctl RR3v - 01.06.89 11:04:15
      fm DB0MWE-3 to DL1MEN ctl I23^ pid F0 - 01.06.89 11:04:16
      t gespeichert.
      (DL1MEN) >>
      fm DL1MEN to DB0MWE-3 ctl RR4v - 01.06.89 11:04:17De kanaal status regel: (Hier iets korter weergegeven dan normaal)
 |1|DB0MWE|DL1MEN-1|IXF|00|00|00|00:30|433.675|2|PFNTEUSA|3|750|14:14:51
  1  2      3        4   5  6  7  8      9    10 11      12 13    14
> 1 Kanaal-nummer
> 2 Tegen station of (eerste) digipeater
> 3 MYCALL, dus de eigen roepnaam
> 4 Linkstatus
> 5 Aantal frames in geheugen
> 6 Aantal onbevestigde frames
> 7 Aantal pogingen
> 8 Duur van de verbinding, bij geen verbinding het versie nummer
> 9 Frequentie
>10 Eventueel poortnummer, bij meerdere TNC's
>11 Status
>12 Gebruik niveau tegenstation
>13 Aantal vrije TNC-buffers (knippert is het minder dan 300 is)
>14 Tijd

Tijdens het leggen van de verbinding knippert de call bij (2). Als een station een
andere status heeft dan 1, komt de status bij (11).

Status (10) geeft aan:
A   "autoroute" in werking          a   "autosave" is aan
B   bel is ingeschakeld             b   binaire monitor save aan
C   compressie aan                  c   verbonden met een DXCluster
D   autoconnect is actief           d   (met AWA= kenmerk) BinBatch actief
E   ECHO tekst-scherm aan           e   EDIT mode (tekstverwerking)
G   signalen uitgeschakeld          H   Verbinding wordt NIET verbroken (HOLD)
I   tekst invoer in insert mode     L   leren van een PAD aan
M   Bericht voor SYSOP (knippert)   m   vastleggen data met [esc] MD
N   NET/ROM frames niet gemonitord  n   [esc] QRL actief
P   Printer is aan                  R   SYSOP bel is actief
r   Remote commando's uit           s   Kanaal is uitgeschakeld
S   save file is open               T   tekst file wordt uitgezonden    
U   duitse umlaut conversie actief  u   duitse umlaut conversie is aan  
   duitse umlaut conversie bij RX  v   binaire file wordt ontvangen
W   //write actief (knipper)        X   MultiMonitor actief
x   ECHO markering in QSO scherm
<   Connect komt van buiten         >   Connect naar buiten
#   NODE op dit kanaal              ^   binaire file wordt uitgezonden
!   Binaire data wordt NIET getoond ~   PMS ingeschakeld
7   automatische opslaan 7PLUS-file -   opslaan "ruwe" data
   BoxBin tijdelijk uitgeschakeld  @   MAILS baken herkent post in BBS
1   cross-connected kanaal          -KLOCK- toetsenbord is tijdelijk uitgeschakeld
CONVERS kanaal is in converse mode  DO:xxx DO is gestart

Opmerkingen :
"s"   Een kanaal is normaal niet uitgeschakeld. Gebeurt dat, dan met [esc] ACT weer
      goed zetten.
"N"   is alleen actief op kanaal 0, alle andere gelden voor het gekozen kanaal.
"U"   Voor de umlaut conversie U, u en  geldt achtereenvolgend: IBM-DIN, dubbel-
      letter, DIN-IBM.
"1"   Dit is als voorbeeld genomen, en kan elk kanaal zijn. Het verschil met "7" is
      dat dit getal een andere kleur heeft en knippert.Het "link status" veld (4) bevat een van de volgende codes:
DIS   Disconnected            SET   Link Setup
FMR   Frame Reject            DRQ   Disconnect Request
IXF   Information Transfer    REJ   Reject
WAK   Wait Acknowledge        DBS   Device Busy
RBS   Remote Busy             BBS   Both Busy
WDB   Wait Ack / Dev Busy     WRB   Wait Ack / Rem Busy
WBB   Wait Ack / Both Busy    RDB   Reject / Device Busy
RRB   Reject / Remote Busy    RBB   Reject / Both Busy
MUL   MM actief op dit kanaal

Het monitor kanaal (0) kent wat afwijkingen:

0:0|QRM via DB0MWE       |SP v6.00|438.175|BN   |750|08:17:46
1 2 3                     4        5       6     7   8
> 1 Nummer van het TNC
> 2 Kanaal-nummer
> 3 Adresveld voor bakens en UI-frames
> 4 Versie van SP
> 5 Frequentie
> 6 Status
> 7 TNC-buffers
> 8 Tijd

5.1 Invoer venster
Als een regel niet begint met [esc], is SP in de tekst invoer mode. Na het indrukken
van <ENTER> zal deze tekst op het actieve kanaal uitgezonden worden. Op het monitor-
kanaal zal dit als een UI-frame gebeuren, op de andere wordt het alleen uitgezonden
als er een station geconnect is. Elk teken kan uitgezonden worden. Indien [esc]
verzonden moet worden, moet dit voorafgegaan worden door [ctrl] Q. De regel wordt
automatisch afgebroken als de invoer langer dan een regel is.

5.2 Cursor beweging en bewerken
[Pijllinks] :
      verplaats de cursor links, aan het begin van een regel gaat de cursor naar het
      einde van de voorgaande regel.
[Pijlrechts] :
      verplaats de cursor rechts, aan het einde van de regel gaat de cursor naar het
      begin van de volgende regel.
[Pijlomhoog] :
      cursor omhoog. Staat de cursor op de bovenste regel zal het buffer een regel
      omlaag scrollen, er gebeurt niets als de cursor op de eerste regel van het
      buffer staat.
[Pijlomlaag] :
      cursor omlaag. Staat de cursor op de laagste regel zal het buffer een regel
      omhoog scrollen, er gebeurt niets als de cursor op de laatste regel van het
      buffer staat.
[Home] :
      cursor naar de eerste regel van het buffer.
[End] :
      cursor naar de laatste regel van het buffer.
[PgUp] :
      scrollt het venster een pagina omhoog.
[PgDn] :
      scrollt het venster een pagina omlaag.[Ins] :
      keuze tussen tussenvoegen en overschrijven. Als insert mode aan is, staat een
      "I" in de statusregel.
[Del] :
      wist een teken op de cursor. Aan het eind van de regel zal de volgende regel
      gekoppeld worden.
[Shift][Control][Home] :
      wist de ingang-buffer. Sommige toetsenborden kennen geen [ctrl][del] dan zal
      [shift][ctrl][home] gebruikt moeten worden.
[Enter] :
      zendt de regel uit.
[ctrl][Del] :
      wist de ingang-buffer. Sommige toetsenborden kennen geen [ctrl][del] dan kan
      Control-C gebruikt moeten worden.
Control-A:
      zet de cursor aan het begin van de regel.
Control-B:
      zet de cursor links van de volgende spatie.
Control-C:
      Gelijk aan [enter], maar de cursor blijft staan.
Control-D:
      plaatst de datum op de aangegeven plek.
Control-E:
      verplaatst de cursor naar het einde van de regel.
Control-F:
      zet de cursor rechts van de volgende spatie.
Control-H:
      wist het teken links van de cursor. Aan het begin van de regel zal het met de
      voorgaande regel gekoppeld worden, indien de totale lengte de regel-afbreek
      positie (lengte normaal 77 tekens) niet overschreden wordt.
Control-I of TAB:
      geeft spaties tot aan de volgende TAB-positie.
Control-J of Control-Enter:
      De gekozen regel wordt in het zend-buffer geplaatst en zo spoedig mogelijk
      verzonden, alleen wordt RETURN niet uitgezonden.
Control-K:
      wist tot het einde van de regel, schrijft gewiste tekst in een "kill-buffer".
      Bij gebruik op een lege regel wordt de regel gewist zonder dat het "kill-buffer"
      wijzigt. Staat de cursor op het einde van de regel zal de volgende regel
      bijgevoegd worden, mits het totaal niet langer wordt dan 77 tekens (regel
      afbreek lengte).
Control-L:
      vraagt in het POP-up venster de file naam en plaatst deze in het geheugen. Wordt
      geen teken gegeven volgt de directory. Bij lange files wordt alleen het begin
      geladen.
Control-M: (Enter toets)
      De regel met de cursor wordt in het zend-buffer geplaatst en bij de eerste
      gelegenheid uitgezonden. De regel wordt afgesloten met een [ENTER]-teken (zie 
      [ctrl]-C en [ctrl]-J). De plaats van de cursor doet er niet toe.
Control-N:
      Indien de naam van het tegenstation bekend is (bv in GREETING.SP) zal deze
      ingevoegd worden op de positie van de cursor, is deze niet bekend zal "dr OM"
      gebruikt worden.
Control-O:
      voegt een regel toe op de plaats van de cursor. Als de cursor in tekst staat,
      wordt de regel gesplitst. Bij een vol buffer gaat de laatste regel verloren.Control-P:
      vraagt een kanaal nummer in het POP-up venster (afbreken met [esc]). Dan wordt
      het geheel verplaatst naar het buffer van het gevraagde kanaal. Is het betref-
      fende buffer te klein, zal een deel wegvallen. Dit is een tekst-kopie, zal niets
      uitgezonden worden.
Control-Q:
      plaats het volgende teken in het buffer, zelfs als dit een edit commando is. Zo
      kan bijvoorbeeld Control-D worden uitgezonden.
Control-R:
      verwisseld het teken onder de cursor en het teken meteen links. Heeft geen
      invloed aan het einde van een regel. Voorbeeld; er wordt VLED getypt, plaats de
      cursor op E en druk [ctrl]-R om VELD te krijgen.
Control-S:
      zoekt(zocht) naar tekst (max. 39 tekens) bij nieuwe versies geschrapt.
Control-T:
      plaatst de tijd op de positie van de cursor.
Control-U:
      verandert kleine letter in GROTE letters en andersom.
Control-V:
      zet de call in de onderste statusregel in het buffer.
Control-W:
      vraagt in het POP-up venster een filenaam en schrijft de inhoud van het buffer
      daar heen. Lege regels worden niet opgeslagen. Als de naam beging met "#" wordt
      een nummer verwacht. Voorbeeld om de tekst te verzenden op kanaal 11, de file
      moet #11 heten. Is het eerste teken "1", dan wordt de file in een speciaal
      binair formaat opgeslagen, die te combineren is met de SPENTRY file onder [alt]-
      X als SRE= 1 of 3.
Control-X:
      Wist de gehele regel en laat een lege regel achter. De regel wordt naar het
      "kill-buffer" gekopieerd. Dit is een combinatie van [ctrl]-A en [ctrl]-K.
Control-Y:
      plaatst de inhoud van het "kill-buffer" vanaf de cursor. Dit buffer kan op ieder
      kanaal ingevoegd worden, zo vaak als nodig is. Dit buffer bevat alleen de laatst
      gewiste tekst.
De omvang van dit "edit-buffer" wordt bepaald in de CONFIG.SP met EBL=. Waarden tussen
16 en 100 zij  toegestaan, default is 16. Als de tekst langer is dan EBL=, dan wordt
dit aangepast. Er worden 88 bytes gebruikt per regel per kanaal. EBL= niet wijzigen
met [esc] CFG als SP draait.
Middels het gebruik van EBS= kan het aantal regels per kanaal opgegeven worden.
Gebruik dit alleen bij voldoende geheugen. Daardoor is het mogelijk op een kanaal te
nemen om grote files te maken en naar disk of via een ander kanaal uit te zenden. Als
TIC=1 vermindert het aantal regels op kanaal 0 met n, zonder de edit functies te
benvloeden. Een [esc] aan het begin van de regel wordt aangegeven met "", is normaal
het start-teken voor een opdracht. Dit teken kan gewist worden en is dan een normale
tekstregel.
Wordt Alt-C of een Alt-F toets gebruikt aan het begin van een regel zal SP " C "
geven en de auto-route is dan actief.
Gebruikte regels kunnen veranderd en/of opnieuw gebruikt worden. Als de Insert-mode
gebruikt wordt en tekens worden toegevoegd in een bestaande regel kan geen teken meer
worden toegevoegd als de regel het omslagpunt bereikt. Bij overschrijven wordt het
teken onder de cursor veranderd.
Er is een "EDIT-mode" voorhanden. Na inschakelen met Alt-E (de letter "e" komt in de
statusregel) zal niets worden uitgezonden.Bij Control-L, Control-P, Control-W en Control-S verschijnt een POP-up venster. Daarin
zijn de volgende toetsen te gebruiken :
[Enter] :  voor uitvoer commando          [esc]    :Afbreken
[ctrl] H:  laatste teken wissen           [ctrl] X :Alles wissen

Merk op dat indien een bestandsnaam gevraagd wordt. elke toets, behalve de bovenstaan-
de, dat de voorgestelde naam gewist wordt. Dit geldt alleen voor de eerst ingedrukte
toets.

6 SP commando's
Interne SP-commando's zijn oproepbaar met F-toetsen, [alt]-combinatie, [ctrl]-combina-
tie of na [esc].
De Functie-toetsen zijn [F1]..[F12].
De [alt] en [ctrl] zijn altijd in combinatie met een tweede toets. Deze toetsen dienen
gelijktijdig ingedrukt te zijn (eerste de [alt] of [ctrl] toets, dan de andere), dan
loslaten, maar dat spreekt voor zich ;-).
De [esc] commando's worden in het invoerscherm weergegeven. De cursor moet aan het
begin van de regel staan. Na het indrukken van de [esc] toets zal "" (gevolgd door
een spatie) in beeld verschijnen. Hierna kan de opdracht gegeven worden. Voor de
meeste opdrachten geld dat de eerste twee letters voldoende zijn. Merk op dat de
opdracht in HOOFDLETTERS wordt weergegeven.

6.1 Functie toetsen
[F1]-[F10]
      Hiermee kunnen de kanalen gekozen worden. Als een niet bestaand kanaal gevraagd
      wordt, zal het genegeerd worden. Zijn er meer dan 10 kanalen dan werkt het als
      volgt: Met [F2] selecteer je kanaal 2. Om op kanaal 12 te komen, moet [F2]
      nogmaals ingedrukt worden. Nogmaals [F2] selecteert kanaal 22, nogmaals 32 en
      nogmaals kanaal 2 (vin geval er 40 kanalen beschikbaar zijn). Is kanaal 22
      gekozen en daarna [F3], dan zal kanaal 23 actief worden.
Shift-[F1] - Shift-[F10]
      Hiermee wordt een standaardtekst uit PFKEYS.SP uitgezonden. Staat de "echo" aan,
      wordt de tekst ook in het QSO venster geplaatst, ander komt de tekst in een pop-
      up venster. Dit werkt alleen tijdens verbindingen. Wordt gelijktijdig de [alt]
      toets ingedrukt, wordt de tekst alleen in het invoerscherm geplaatst, zonder het
      uit te zenden.

6.2 ALT-Commando's
Alt-commando's worden gegeven door het indrukken van Alt gelijk met de letter.
[alt] numeriek pad:
      Hiermee kan een kanaal gekozen worden. Kanaal 1 is Alt-1. Voor bijvoorbeeld
      kanaal 17 druk ALT, dan 1, dan 7 en dan pas de ALT los laten.
[alt][F1] - [alt][F10]
      Met deze toetsen kunnen de eerste 10 paden uit PATHLIST.SP gekozen worden voor
      de gebruikte frequentie. Met ALT-F worden de toets toewijzingen getoond. Na
      indrukken wordt bevestiging gevraagd.
Bij gebruik van een AT-toetsenbord met [F11] en [F12] is ook het volgende mogelijk:
[F11] als   [alt] V, [ctrl][F11] als [shift][alt] V, [F12] als [alt] M
[alt] A
      Schakelt naar het prioriteitskanaal (opgegeven met PCH=). Nogmaals indrukken
      gaat terug naar vorige kanaal.
[alt] B
      Kiest de volgende TNC die UI-frames kan uitzenden op kanaal 0. Als het monitor
      kanaal gekozen wordt, wordt het UI-TNC nummer weergegeven op de plaats van de
      eerste bestemming.[alt] C
      Hiermee wordt een autoroute verbinding gemaakt die in PATHLIST.SP staat, zo niet
      dan zal getracht worden een directe verbinding te leggen. Na [alt]-C komt het
      volgende in beeld :     C
      Als nu [ENTER] ingedrukt wordt, zal een lijst met paden getoond worden, waaruit
      een keuze gemaakt kan worden.
[alt] D
      Disconnect het gekozen kanaal (net als [esc] D)
[alt] E
      In/uit schakelen EDIT-mode. Niets wat nu ingetypt wordt zal uitgezonden worden.
      [esc] commando's worden niet uitgevoerd.
[alt] F
      Geeft de inhoud van de F-toetsen en de eerste tien paden.
[alt] G
      Toont in een venster alle bestanden (of zoveel al er op het scherm passen) in de
      huidige of laatst gebruikte directory. Met de cursor kan een bestand gekozen
      worden door daarna op [enter] te drukken, het volledige pad zal worden geschre-
      ven op de cursor positie. Afbreken kan met [esc].
      Bestand namen worden in kleine letters, directories in hoofd letters afgedrukt.
      Wordt een directory gekozen, zal de inhoud hiervan getoond worden. Voor een
      directory hoger, kies dan "..". Wordt [shift][enter] ingedrukt als de cursor op
      een directory staat, zal de inhoud hiervan geplaatst worden in het invoerscherm.
      Zijn er meer bestanden dan er in dat venster passen, kan met [PgUp] en [PgDn]
      gebladerd worden. Met [ctrl], gevolgd door een letter, bv [ctrl]E, dan zal de E-
      drive gekozen worden.
      Het laatst gebruikte pad wordt onthouden en getoond indien weer [alt]G ingedrukt
      word.
[alt] H
      Geeft overzicht [alt], [ctrl], en [esc]-commando's.
[alt] I
      Bij een connect zal de info uit GREETING.SP weergegeven worden.
[alt] J
      In en uit de conversmode gaan door SYSOP. Kies een vrij kanaal (zie 6.3).
[alt] K
      Breekt file-overdracht en autorouting (ook met DO) af. Indien nodig, druk
      [shift][alt] K om een binair (#ABORT#) afbreek commando te sturen, zelfs als dat
      (nog) niet loopt.
[alt] L
      Toont bericht voor de SYSOP en eventueel wissen of herbenoemen. Werkt alleen als
      een bericht is binnen gekomen voor de call opgegeven op kanaal 0 van TNC 0.
[alt] M
      Kiest het monitor kanaal (ook [F12]).
[alt] N
      Toont alle gevonden paden en gehoorde TheNet routes.
[alt] O
      Geeft het station op gekozen kanaal SYSOP-status, net als normaal na goede
      //PRIV. Moet alleen bij betrouwbare gebruikers worden toegepast, omdat alle
      remote-commando's beschikbaar komen (gebruiker niveau wordt 9). Nogmaals [alt]O
      schakelt deze optie weer uit.
[alt] P
      Schakelt printer in/uit (P komt in statusregel). Er kan slechts een kanaal
      geprint worden. Reageert niet als een ander kanaal geprint wordt.
[[shift][alt] P
      Druk het QSO-venster af als [alt] P niet actief is.
[alt] Q
      Schakelt het knippen van calls op onderste statusregel uit.[alt] R
      Herhaalt laatste [esc] C of  [alt] C commando.
      Bij de versies 6.50 en 9.xx in- en uit-schakelen van de "ruw-mode" ("-" in
      statusregel). Ingeschakeld zal alle ontvangen data in een save-file geschreven
      worden, zonder modificaties in binaire mode, Dit is handig voor ontvangen van
      programma's van een BayCom gebruiker. In plaats van de frequentie zal het aantal
      ontvangen bytes getoond worden.
      Merk op dat SAVE uit moet staan als [alt]R gegeven wordt. Je kunt geen bestand
      openen die al bestaat. Verder kunnen er vreemde tekens op het scherm komen; dat
      is normaal bij binaire overdracht.
[alt] S
      Sluit savefile af (er moet S in de statusregel staan). Indien OAS=1 in CONFIG.SP
      kan ook file geopend worden. Als SAVE uit is, zal een venster verschijnen waarin
      een bestandsnaam gevraagd word, een "default" naam wordt getoond. Door het
      indrukken van [enter] wordt deze naam gebruikt. Bestaan deze file al, wordt de
      tekst bijgeplaatst. Als (bij de nieuwe versies) de ruimte op de disk onder de
      waarde MFR= komt, wordt de save uitgeschakeld.
[shift][alt] S
      Schakelt AUTO-SAVE (a in statusregel). Als deze aan is zal elke connect worden
      opgeslagen. Filenaam is call met kanaal nummer. Werkt ook als de verbinding al
      bestaat.
[alt] T
      Schakelt schermbeveiliging in.
[alt] U
      Schakelt umlaut omzetting in/uit. ("U" in statusregel).
[alt] V
      Inschakelen van de VIEW mode. Er wordt een cursor in het QSO scherm geplaatst,
      die gebruikt kan worden om regels in het scherm buffer te bewerken. De cursor-
      regel kan verplaatst worden naar het invoer scherm met [enter] of kan bewerkt
      worden met een van de volgende toetsen :
      TAB               schakelt VIC=
      [alt] V of [esc]  beindigd VIEW mode
      [home]            plaatst de cursor aan het begin van de buffer
      [end]             plaatst de cursor aan het einde van de buffer
      [PgUp] of grze - toont vorige pagina
      [PgDn] of grze + toont volgende pagina
      [ctrl][home]      plaatst de cursor aan het begin van het scherm
      [ctrl][end]       plaatst de cursor aan het einde van het scherm
      [pijl omhoog]     plaatst de cursor een regel hoger
      [pijl omlaag]     plaatst de cursor een regel lager
      [ins]             zend de regel uit op het "INS" kanaal [esc]INS
      [A] of [a]        keert de cursor beweging om
      BBS commando letters zijn :
      L sla voorkeur op voor een TheBox LIST
      R stuur een R(ead) opdracht
      E stuur een E(rase) opdracht
      r plaats een schrijf opdracht in de invoerscherm
      e plaats een Erase opdracht in het invoerscherm
      SP poogt de soort BBS te herkennen middels de cursor-regel. In een paar gevallen
      met afwijken BBS'en lijkt dit niet, gebruik in dit geval de VIT= om de regel
      opbouw te definiren. Let op dat bij gebruik van een BayCom BBS de gebruikelijk
      opties (die eenmalig naar de BBS gestuurd worden) als volgt moeten zijn :
      A IL ABDJQTWXY
      A UL ABDJQTWXY
      A CH ABDEJLMWYDe bovenste statusregel toont de volgende informatie in VIEW mode :
 -    het zoek gebied voor TheBox LIST, indien gekozen
 -    de VIC= status met "V:0" of "V:1"
 -    een pijl met de cursor richting voor lees (read) opdrachten. Merk op dat met
      TheBox LIST en ERASE de cursor altijd "omhoog" staat.
      Zie ook verder (hoofdzakelijk voor oudere versies) hoofdstuk 8.
[alt] W
      Deze opdracht toont de SP-status, werk condities, statistieken en tellers. Als
      je belt of schrijft, zorg dan dat de data van [alt]W beschikbaar is. Het formaat
      en de betekenis moet voor zich spreken. Deze optie is uitgebreider en duidelijk
      anders dan met [alt] F en kan behulpzaam zijn met het vinden van fouten.
[alt] X
      Beindigd SP. Lopende verbindingen blijven bestaan. Ontvangen data wordt
      opgeslagen in de TNC. Als XIT=0 dan wordt deze aanslag genegeerd. Bij XIT=2
      wordt een bevestiging gevraagd. SP kan niet gestopt worden tijdens oversturen
      van bestanden (daarvoor eerst [alt] K geven) of als de PMS (bij nieuwe versies)
      in gebruik is. Zie ook [esc] QRT.
[alt] Y
      Als SP beindigd was tijdens een connect, zal dit commando het scherm tonen op
      het moment dat het programma werd beindigd. Daarvoor moet wel SAVE ingeschakeld
      zijn.
      Voor de nieuwe versies: Als SAVE actief is, zal de inhoud van de schijf gelezen
      worden. Deze opdracht is handig na [esc] SORT als het wenselijk is om het scherm
      weer op te vragen voor de sortering.
[alt] Z
      Als SAVE aan is, zal de save-file gewist en heropend worden. Als BSF=1 zal eerst
      een back-up gemaakt worden.
      Bij de nieuwere versies zal de SAVE file gewist worden. Als BSF=ON, wordt het
      bestand gekopieerd met de zelfde naam en een .Bxx extensie (xx is het kanaal
      nummer). Als dat bestand bestaat, wordt de SAVE0file er aan toegevoegd. Is
      BSF=OFF, dan wordt eerst bevestiging gevraagd voor het wissen van de SAVE file.
[alt] =
      Deze opdracht geeft de scancode van een toets weer. Als deze met KEY= veranderd
      is, zal de oorspronkelijk waarde getoond worden.
[shift][alt] =
      Als [alt] =, maar de scan-code wordt in het invoerscherm geschreven, handig voor
      het [esc] CFG KEY= commando.
[alt] `
      Deze combinatie wordt gebruikt om een numeriek pad te simuleren voor computers
      die er geen hebben. Na deze combinatie geeft exact drie cijfers die overeenkomen
      met de ASCII waarde. Merk op dat bij getallen onder de 100 eerst een of twee
      nullen geplaatst moeten worden.
[alt]0..[alt]9 (ook met [shift] of [ctrl])
      Voert een macro uit, zie [esc] MAC voor meer informatie.

Als, wanneer een filenaam wordt opgegeven, zal een dollar-teken gevolgd door een
omgeving variabele voorafgaan aan deze naam, SP plaats dan de file in de opgegeven
directory. Voorbeeld :
    SPDIR=C:\USR\PACKET
    Opgegeven filenaam:$spdir\test
    SP gebruikt: C:\USR\PACKET\TEST
Als er geen pad wordt opgegeven, wordt de huidige directory gebruikt. Dit is ook van
toepassing voor remote SYSOP commando's.

De volgende speciale toetsen worden ook gebruikt:6.3 Control toetsen
Control-[F1]
      Verkleint het invoervenster tot 3 regels (het minimum)
Control-[F2]
      Vergroot het invoervenster tot 15 regels (het maximum)
Control-[F3]
      Verkleint het invoervenster met 1 regel
Control-[F4]
      Vergroot het invoervenster met 1 regel
Deze functies gelden zolang NIET van kanaal veranderd wordt.
Control-[F5]
      Schakelt "echo" teken in en uit. Ingeschakeld zal in het QSO scherm de uitgezon-
      den tekst vooraf gegaan worden door ">". Dit is handig als de SAVE-file later
      gelezen wordt om na te gaan wie wat schreef. Als LEM=OFF geldt deze setting tot
      de disconnect.
Control-[F6]
      Als TMM=ON, zal een lijst met de laatst gehoorde QSO's getoond worden (in
      paren). Met de cursor kan een QSO gekozen worden voor MultiMonitor. Na
      [ctrl][F6] hebben de volgende toetsen een functie :
      [Enter] : dit QSO voor MultiMonitor       [esc] : afbreken
      [] [] : cursor beweging                 A: sorteren op aantal frames
      C : sorteren op call                      K: als [Enter] en decodeer compressie
      T : sorteren op tijd
Control-[F7]
      Deze opdracht toont de "SAVE-teller". Dit getal is het aantal opgeslagen bytes
      tijdens een SAVE-opdracht. Bij een nieuwe opdracht wordt deze 0.
Control-[F8]
      Roept de COMMAND.COM aan, net als [esc]DOS; met EXIT terug naar SP.
Control-[F9]
      Vervangt het woord links van de cursor. Er moet een spatie links van dat woord
      staan. Er wordt naar het woord gezocht in de file SUBST.SP en vervangen door het
      woord na de : (zie bij files SUBST.SP)
Control-[F10]
      Wist tellers van TX en RX die bij [ctrl][F7] getoond worden
Shift-Control-[F10]
      Als [Ctrl][F10], hierdoor wordt de overdracht meting verstoord.
Control-[F12]
      Schakelt compressie in; zie later.
Control-[PgUp]
      Verkleint het ontvangst scherm en vergroot het monitor venster (niet op kanaal
      0). Als BSG=1 in CONFIG.SP geldt dit gelijk voor alle kanalen, anders voor het
      huidige kanaal.
Control-[PgDn]
      Het omgekeerd van Control-[PgUp].
Control-[Home]
      Wist het ontvangstscherm en dat buffer.
Control-[pijllinks]
      Gaat naar het volgende lagere geconnecte kanaal.
Control-[pijlrechts]
      Gaat naar het volgende hogere geconnecte kanaal.

6.4 Andere speciale combinaties
ShiftRechts ShiftLinks Alt -:
      Schakelt het toetsenbord. Indien het toetsenbord uitgeschakeld staat "---KLOCK--
      -" in plaats van de "flags".Shift-TAB:
      Schakelt naar het volgende geconnecte kanaal waar nieuwe data is binnen gekomen.

7 Toetsenbord macro's
Er kunnen 31 macro's (SP 6.50 en 9.xx 34) opgeslagen worden van elk maximaal 40 tekens
lang. Deze kunnen opgeroepen worden met Alt-x, Shift-Alt-x en Control-Alt-x; waarbij x
de cijfers 1 tot en met 0 kunnen zijn. De macro's worden opgeslagen in de binaire file
MACRO.SP. Indien deze file niet bestaat, zullen Alt-1 tot en met Alt-0 gelijk zijn aan
[F1] t.e.m. [F10].
Macro's kun je als volgt maken :
  1.  Typ [esc] MAC n (waarbij n tussen 1 en 31, nieuwe versie 34)
  2.  Geef de tekst (maximaal 40 tekens, wordt getoond in POP-up venster)
  3.  Toets [ctrl] [F1] om te bewaren of [ctrl] [F2] om af te breken. Worden er 40
      tekens getypt, wordt de macro automatisch opgeslagen.
Let op :
  1.  Als [ctrl] [F2] gebruikt wordt, heeft het alleen effect als MACRO.SP bestaat, de
      file wordt aangemaakt na installatie van of wijziging van een macro.
  2.  Het is mogelijk om vanuit een macro een ander macro aan te roepen, met als
      gevolg een loop! De macro: "[alt]1: [alt]E [ctrl][Home] [ctrl][Del] [alt]1" wist
      de Save-file, wist beide schermen en roept zichzelf aan en SP "hangt".
  3.  Een speciaal macro is 31 (start) die zichtbaar wordt als SP opgestart wordt.

8 View mode
De VIEW-mode zorgt voor het verplaatsen van data uit het ontvangstscherm naar het
invoerscherm. Aanroepen met Alt-V, waarna het ontvangstscherm op maximale grootte komt
(wordt gelijktijdig ook [shift] in gedrukt verander omvang niet). Een "regel-cursor"
verschijnt in het venster. Deze kan verplaatst worden met de pijl-toetsen en [PgUp] en
[PgDn]. Verder kunnen de volgen de toetsen gebruikt worden :
Esc   verlaat View-mode.
Enter verplaats de cursor regel in het invoerscherm.
Ins   Hiermee wordt de regel op de met [esc] INS ingestelde kanaal wordt uitgezonden.
      Default is -1, dwz uitzenden gebeurt op het zelfde kanaal.
Voor de oudere versies geldt:
b     als de cursorregel voortkomt uit een TheBox CHECK commando, zal het vereiste
      READ commando geschreven worden.
B     als "b", maar nu wordt het READ commando is uitgezonden.
k     als "b", maar nu wordt een ERASE commando is geschreven.
K     als "B", maar nu wordt een ERASE commando is uitgezonden.
s     als de cursorregel voortkomt uit een LIST commando (DB0SAO of W0RLI) zal het
      vereiste READ commando geschreven worden.
S     als "s", maar nu wordt het READ commando is uitgezonden.
d     als "s", maar nu wordt een ERASE commando geschreven.
D     als "S", maar nu wordt een ERASE commando uitgezonden.
l     als "s", maar nu voor TheBox. Voordat dit voor de eerste keer gebruikt wordt "l"
      indrukken op de regel waar de naam van het bericht staat b.v. "Info-file: IBM".
L     als "S" voor TheBox
e     als "d" voor TheBox en de cursor gaat omhoog.
E     als "D" voor TheBox
Voor de nieuwere versies geldt:
L     Naam van de LIST-rubriek (TheBox) opgegeven
R     READ-opdracht uitzenden
E     ERASE-opdracht uitzenden
r     READ-opdracht in invoerscherm
e     ERASE-opdracht in invoerscherm
      SP zal aan de hand van de regel opbouw zelf het type Mailbox nagaan, zelden zal
      dat niet lukken.Elke andere toets doet niets. Merk op dat SP "heet" is in View-mode, dwz ontvangen
      data wordt verwerkt. Als VIC=1 wordt in het invoerscherm de opdracht met ";" gekoppeld
      aan de regel. De grijze toetsen kunnen ook gebruikt worden om te scrollen.

9 [esc] Commando's
Hier volgt het overzicht van alle ESCape-commando's; dat wil zeggen dat de cursor aan
het begin van de regel moet staan, dan [esc] indrukken, gevolgt door de opdracht en
eventuele parameters. Op het scherm ziet het er als volgt uit :   [opdracht]
Op de eerste regel staat de algemene vorm een eventueel voorbeeld staat in de tekst
die volgt. Staan de parameters tussen haken, dan is dit optioneel.
Deze commando's worden dus gebruikt als een commando parameters nodig heeft of te
weinig gebruikt wordt om er een Alt-combinatie van te maken. Als SP het commando niet
kent, wordt het gecontroleerd en naar het TNC gestuurd. De TNC-commando's staan in een
apart hoofdstuk.In veel gevallen zijn de kleine letters zijn niet nodig.
ACT
      Deze opdracht stelt een kanaal buiten werking en weer terug. Indien een kanaal
      buiten werking is wordt er door SP niets mee gedaan. De inkomende data wordt in
      het TNC opgeslagen, totdat het kanaal weer in werking gesteld wordt. In die tijd
      staat in de statusregel de "s"-flag. Dit is de normale stand van een MM-kanaal.
ALA
      Hiermee gaat de bel 100 keer; afbreken met elke toets.
ALL tekst
      De "tekst" wordt gestuurd aan alle geconnecte stations die niet bezig zijn met
      autorouting of file-overdracht.
AT
      Toont de volgende geplande autoconnect. Voorbeeld AT 10:34:PI8TMA.DO Bij nieuwe
      versies worden ook voor bepaalde opdrachten nummers gebruikt.
AT A
      Toont alle geplande autoconnects.
AT D hh:mm
      Wist de opdracht voor de opgegeven tijd.
AT D n
      Wist opdracht met nummer "n".
AT D *
      Wist alle opdrachten.
AT G n
      Kopieert opdracht "n" naar het invoer scherm.
AT hh:mm:commando
      Voegt een regel toe aan het schema. Deze wordt niet opgeslagen in AT.SP!
AT R
      Toont alle periodieke opdrachten. Dit zijn opdrachten met tenminste een "?" in
      plaats van een cijfer in de tijdaanduiding.
AT W
      (Her)Schrijft alle opdrachten naar AT.SP.
ATT
      Toont alle te kiezen kleur instellingen. Na het indrukken van spatie worden alle
      huidige instellingen weergegeven.
ATT M
      Als boven, maar de instellingen kunnen on-line verandert worden met de volgende
      toetsen :                     [esc] : afbreken/einde
      <     : vorige instelling     >     : volgende instelling
      V     : verander voorgrond    H     : verander achtergrond
BB
      Schakelt BinBox, een "" verschijnt in de status regel als BinBox uit staat.
BELl
      In/uit schakelen van de bel voor ingesteld kanaal (B-flag in de statusregel).C call
      TNC-commando: zorgt voor een verbinding met maximaal 8 digipeaters. Loopt er al
      een verbinding met het zelfde station of Node, dan zal het SSID veranderen. Er
      komt een melding in het POP-up venster.
CAL Callsign
      Verandert de call van het tegenstation (onderste status regel). Status.SP zal
      veranderd worden en ook in het LOG.SP. [esc]CAL DISCON wist te connect status.
CD directory
      Verandert de directory
CFG (CONFIG.SP commando)
      Bijna ieder commando uit CONFIG.SP kan gebruikt worden. Er is geen controle
      zodat het systeem kan gaan "hangen". Voorbeelden:
            CFG INI=MN    =>monitor uit op alle TNC's
            CFG ATS=$70   =>veranderd kleur bovenste statusregel
      Zonder parameter zal de huidige instellingen getoond worden.
CLC
      TX en RX teller resetten 0 (de teller getoond met Alt-F), vervallen vanaf 6.10.
CLS
      Wist ontvangst en invoer scherm.
CLS A
      Als boven, maar nu op alle kanalen.
CONV n
      Schakelt CONVERS mode in op kanaal "n" en schakelt naar dit kanaal.
CRC [file naam]
      Bepaald de checksum van SP.EXE. Zal bij tijd en wijle gebruikt moeten worden,
      schrijf het resultaat op. Als een naam wordt opgegeven, zal van dat bestand/pro-
      gramma de checksum, bepaald worden.
CWO tekst
      Uitvoer van de tekst in CW; alleen letters en cijfers toegestaan.
D
      TNC-commando: disconnect.
DB filenaam.ext
      Dit commando zend een binaire file zonder het SP #BIN#-protocol. Dit is gemakke-
      lijk voor bijvoorbeeld fileoverdracht naar BAYCOM-stations.
DCF Parameter
      Vervangt de opgegeven parameter in CONFIG.SP.
DCF ALL
      Vervangt alle parameters in CONFIG.SP.
DCF NEW
      Vervangt alle parameters en schrijft eerder ongebruikte aan het einde van
      CONFIG.SP. Merk op dat dit commando alleen die parameters vervangt die tijdens
      het runnen van SP verandert kunnen worden, sommige parameters kunnen niet
      verandert worden. Uitvoering van dit commando kan even duren.
DEL file
      Wist de opgegeven file. Paden bv. DEL\TMP\ TEST.TXT en wildcards zijn toege-
      staan. Het aantal gewiste files wordt getoond. Als dit 0 of minder dan verwacht
      is, dan kan dit bestand in gebruik zijn, niet gevonden zijn, niet bestaan of een
      directory zijn.
DIR pad
      Toont de directory van gevraagde pad. Kan ook van andere drive, b.v.  DIR B:\
DO filenaam
      Autoconnect commando.
DOS [programma naam]
      Als een programma-naam opgegeven wordt, zal dat gerund worden, anders zal de
      COMMAND.COM aangeroepen worden. Terug naar SP met "EXIT". Let op voldoende vrij
      geheugen. Bij nieuwe versies is [Ctrl][F8] ook mogelijk.DRsi pp nn
      Met deze opdracht kunnen DRSI parameters voor de huidige DRSIpoort veranderd
      worden. De parameters kan met [esc] TP opgevraagd worden.
DX
      Toont de inhoud van DXRPT.SAV, indien deze file bestaat.
DX C
      Wist DXRPT.SAV.
ECho
      Met ECHO kan de getypte tekst van het invoerscherm en van de verzonden files ook
      in het ontvangstscherm geplaatst worden. In de statusregel staat de E-flag.
FL
      Leest de data van FLEXPW.SP opnieuw in. Bruikbaar als deze online veranderd moet
      worden. Ook als //ESC FL te gebruiken door remote SYSOP.
FR n
      Stelt de TNC-parameter FRACK in (default 16).
FUL n1 n2
      Met dit commando worden de kanalen weer gescheiden, die met FXL (zie verder)
      gekoppeld waren.Dit gaat (ook) zonder melding.
FXL n1 n2
      Als beide opgegeven kanalen geconnect zijn worden deze gekoppeld, zonder
      melding.
GB
      Schakelaar voor alle bellen. Uitgeschakeld zullen alleen ernstige fouten
      akoestisch gemeld worden. Uitgeschakeld staat in de statusbalk een "G".
HBAUD p,b
      Stelt de HDLC baudrate in bij gebruik van een DRSI PC*PA. Er mogen geen connects
      lopen, omdat een reset uitgevoerd wordt. De "p" is de DRSI poort, de "b" de
      baudrate voor de opgegeven poort. Komma moet gebruikt worden.
HOld
      Schakelt de "hold" in. Er zal na het aantal seconden, gespecificeerd met HOT=,
zonder gebruik van het toetsenbord de tekst van HOS= uitzenden. In de statusre-
gel verschijnt "H". Er zal eerst de tijd in HOT= gewacht worden.
HOld S
      Als boven, echter zal de HOS= tekst meteen uitgezonden worden.
HOS tekst
      Tijdelijke verandering van de HOLD-tekst, wordt niet veranderd in CONFIG.SP.
HOT n
      Tijdelijke verandering van de HOLD-tijd, wordt niet veranderd in CONFIG.SP.
INS n
      Hiermee wordt het kanaal ingesteld waarop vanuit de VIEW-mode met de INS-toets
      een regel uitzendt. "-1" betekend het huidige kanaal en is tevens de normaal
      instelling. Dit blijft actief tot beindiging van het programma.
KILL
      Alle geconnecte stations worden gedisconnect.
LEarn
      Opdracht om een pad te leren. Alle connect commando's worden bewaard tot het
      volgende LEARN commando, dan kan het pad opgeslagen worden in PATHLIST.SP
LOG
      De huidige verbinding wordt in het LOG geschreven en de verlopen tijd gereset.
      Dit is te gebruiken als meerdere connects lopen via een NODE. Bij nieuwe versies
      is dit commando geschrapt.
LPU
      Deze opdracht haalt uit LOGINS.SP de dubbele verbindingen. Deze hebben alleen
      gegevens over de laatste verbinding en hebben geen invloed op de log-file(s).LSM
      Toont de laatste 4 TNC-statusmeldingen, die normaal in het POP-up venster komen;
      voorbeeld CONNECT REQUEST .... en FRAME REJECT.
LV n
      Tijdelijke verandering van het REMOTE-niveau van de gebruiker.
LW filenaam
      Laadt een file in het QSO venster en overschrijft de huidige inhoud. Als het
      bestand groter is dan het QSO-buffer, wordt het begin weg gelaten.
MAC n
      Ingevoerd zonder parameter zullen alle macro's getoond worden. Wordt een nummer
      opgegeven, kan de macro gedefinieerd worden en opgeslagen in MACRO.SP. "n" kan
      als volgt opgeroepen worden : 1-10 = Alt-1 t/m Alt-10, 11-20 = Shift-Alt-1 t/m
      Shift-Alt-10, 21-30 = Control-Alt-1 t/m Control-Alt-10, 31 = start macro (wordt
      getoond als SP gestart wordt), 32 = macro voor Alt-B, 33 = macro voor Alt-J en
      34 = macro voor Alt-T.
      Tijdens het invoeren van een macro hebben een paar toetsen een functie. [F1] om
      een macro op te slaan, [F2] afbreken. Alle andere aanslagen worden opgeslagen
      met een maximum van 40 tekens. Een macro kan gewist worden door meteen [F1} in
      te drukken.
MAX n
      Stelt tijdelijk MAXFRAME in op de gegeven waarde, zonder een waarde wordt de
      huidige instelling getoond.
MB filenaam
      De binaire monitor saver wordt hiermee in- en uitgeschakeld. [esc] MB FILENAAM
      schakelt in, met enkel MD wordt de file gesloten. Ingeschakeld zal het alle
      gemonitorde I-frames opslaan. Het formaat is : 0x0d HEADER 0x0d LEN DATA
      (LEN is een byte, waar 0 = 256).
MD
      Met deze opdracht kan gemonitorde data op een vrij kanaal meegeschreven worden.
      [esc] MD tekst schakelt deze optie in, enkel MD schakelt deze af. Deze opdracht
      werkt totdat Alt-X gegeven wordt. In de onderste statusregel wordt niets
      aangegeven, in de bovenste regel komt de "sm"-flag. Ingeschakeld zal elk I-
      frame, waarin de opgegeven tekst voorkomt getoond worden. Net als bij "MM" zal
      ook dit op een "hoger" kanaal moeten gebeuren.
MH
      Toont de gehoorde stations alfabetisch. Bij nieuwere versies (vanaf 6.50) kan
      nadat de lijst getoond is, over misschien wel meerdere schermen, her-sorteert
      worden op bv. tijd, call of aantal frames. Het is ook mogelijk alleen de direct
      gehoorde stations te kiezen.
MH T
      Toont de gehoorde stations in tijd-volgorde (oudere versies).
MH call
      Toont de stations die voldoen aan de opgave (b.v.  MH DL1 toont alle DL1???
      calls) .
MH > FILENAAM
      Toont de gehoorde stations en schrijft deze in FILENAAM.
MHC
      Wist de lijst met gehoorde stations.
MM van>naar
      Te gebruiken op een vrij kanaal om een gesprek tussen twee stations te volgen.
      Na [esc] MM PE1JDX>PI8TMA zal al het verkeer tussen deze stations wat gehoord
      wordt weergeven. [esc] MM schakelt deze functie af. Er kunnen net zoveel
      monitors actief zijn als er ongebruikte kanalen zijn. Tijdens MM zal het
      gebruikte kanaal niet voor QSO's beschikbaar zijn. Bij versie 6.50 en hoger
      worden dubbele frames (herhalingen) niet getoond; een dubbel frames is een frame
      waarvan de checksum gelijk is aan een van de acht voorgaande frames.Vanaf dezelfde versies is het mogelijk gecompreste QSO's te volgen door /C toe
      te voegen, voorbeeld MM PA0TMA>PE1JDX /C
MM van>?
      Als boven, echter nu iedereen die geconnect is met "van". 3 minuten na het
      laatste QSO wacht SP op een nieuwe verbinding en volgt die.
MY
      Toont MYCALL, of wijzigt deze. Is gelijk aan TNC-opdracht [esc] I.
NAME naam
      Hiermee is de naam van het tegenstation op te slaan in GREETING.SP.
NB
      Schakelt het monitoren van binaire data af. In de status regel verschijnt een
      knipperende "!". Deze instelling wordt ook na beindigen bewaard. Een frame is
      "binair" als een of meer tekens niet in de normale tekst voorkomt. Uitvoer is:
      [bin 214 bytes]
ND
      Toont gehoorde NETROM / TheNet routes.
NDX
      In/uit schakelen DX-cluster decodering met DXC.EXE.
NMM
      Zonder een parameter wordt een lijst calls getoond die nooit in MM call>?
      gevolgd mogen worden. Wordt een call opgegeven (bv NMM PI8BNV), dan zal deze ook
      niet gevolgd kunnen worden (geldt tot einde programma, tenzij deze parameter
      wordt opgeslagen). Wordt de call door een + voorafgegaan (bv (NMM +PI8BNV), dan
      zal de call aan de lijst toegevoegd worden. Alle wijzigingen gelden totdat het
      programma beindigd wordt. Om deze permanent te maken, gebruik dan het commando:
      [esc] DCF NMM
NODE
      In/uit schakelen van NODE-mode (#-flag in statusregel) De node lijkt op NETROM
      omdat er geen CTEXT is en de opdrachten worden zonder // gegeven. In de status
      balk zal de "#" vlag getoond worden.
PAC n
      Stelt de PACLENgte tijdelijk in voor het gekozen kanaal. n moet tussen 10 en 256
      zijn. Gebruik PAC= en PLS= in de CONFIG.SP voor permanente instellingen.
PAL n
      Als [esc] PAC, maar nu op alle kanalen.
PAR n p
      Nadat een NETROM-sysop zich heeft gemeld kan dit commando gebruikt worden om
      parameter n de waarde p te geven. Zonder parameters wordt de huidige instellin-
      gen getoond.
PAth call
      Toont het pad naar call.
PAth D call
      Wist dit pad.
PAth D F
      Wist alle gevonden paden.
Path S pad
      Voegt een nieuw pad toe aan het einde van de lijst (geeft de frequentie niet
      op). Ongeldige paden worden niet opgeslagen. Is er een LAN opgenomen zal de
      frequentie xxx.xxx opgeslagen worden. Opdracht is in nieuwe versies vervallen.
PA S pad specificatie...
      Definieert een pad, syntax gelijk aan het formaat in PATHLIST.SP.
PAth W
      Schrijft alle nieuwe paden in PATHLIST.SP.
PAth W filenaam
      Zet alle paden in "filenaam". Er mag geen "File-pad" opgegeven worden.PAth W filenaam x
      Zet alle paden in "filenaam". Voor "x" kan het volgende ingevuld worden: A
      >schrijft alle actieve paden, D >schrijft de gewiste paden, H >schrijft alle
      gevonden paden. Voorbeeld : [esc] PATH WRITE XXX H (Alleen gevonden paden naar
      file XXX geschreven).
PCOPY
      Bruikbaar voor alle kanalen, m.u.v. kanaal 0, als alle kanalen vrij zijn. Alle
      instellingen (zoals "vlaggen" in statusregel, umlaut status, MYCALL, wrap,
      status regel, SAVE, PACLEN e.d.) van het huidige kanaal worden ook voor de
      hogere kanalen gebruikt. Er mag geen kanaal geconnect zijn. Dit commando werkt
      niet in het monitor kanaal. Na uitvoeren van dit commando, SP afsluiten en
      opnieuw starten.
PF filenaam
      Commando om een file te printen. Hiervoor moet wel het DOS commando PRINT.COM of
      PRINT.EXE geladen zijn. Het printen gebeurt "op de achtergrond".
PM filenaam             PM SPSAVE.C00
      De opgegeven file (bv PM SPSAVE.C00 ) wordt gelezen in het monitor kanaal. Het
      bestand moet een eerder opgeslagen monitor kanaal zijn. Dit wordt hoofdzakelijk
      gebruikt om een QSO-data voor MM opnieuw te scannen.
PRIV
      Opdracht voor TheBox SYSOP's. Als BOXPS.SP bestaat en het juist wachtwoord
      bevat, wordt dit in de invoerbuffer gezet en uitgezonden.
QRG xxx.xxx
      Instellen van de frequentie, geen controle. Alleen nodig voor tonen frequentie,
      pad-controle en logboek. De frequentie wordt met 7 tekens ingegeven. Bij nieuwe
      versies geldt dat wanneer het eerste teken een "-" is, wordt deze niet weergege-
      ven met het //CS commando. De speciale frequentie "---.---" onderdrukt het log
      en is handig bij zelf-connect via een kabel (niet radio) verbinding.
QRL
      Schakelt "SYSOP bezet" in/uit. Ingeschakeld wordt de "n"-vlag met WARN-kenmerk
      in de statusbalk getoond. Alle stations die connecten, krijgen een melding.
QRL tekst
      Tijdelijke QRL tekst, tot de eerstvolgende [esc] QRL.
QRT
      Gelijk aan Alt-X, bruikbaar om SP via AT.SP te beindigen.
QRT tekst
      Deze tekst zal in de TNC opgeslagen worden als CTEXT (vanaf SP 6.50).
QRT N
      Ook dit commando geldt vanaf SP 6.50 en zal de call(s) in STATUS.SP negeren, en
      bij een nieuwe start van het programma de call bij MYC= uit de CONFIG.SP
      gebruiken. De rest van STATUS.SP wordt wel gebruikt.
QRV
      Toont de QRV lijst.
QRV C
      Wist de alarm tellers in de QRV lijst.
QRV C CALL
      Wist CALL uit de QRV lijst.
QRV CALL
      Voegt CALL toe in de QRV lijst.
QRV CALL,C
      Als QRV CALL, maar nu zal SP indien het station gehoord wordt, deze connecten.
QSO S of L
      QSO S schrijft het QSO-venster naar disk, alsof SP beindigd wordt, QSO L zal de
      file van schijf lezen.
RB file
      "file" wordt binair ontvangen.
RDM TNC-n
      Alle ontvangen data van TNC n wordt naar het huidige kanaal gevoerd, opheffen
      door dit commando te geven op het monitorkanaal. Het venster wordt op de
      onderste statusregel gemerkt met "MTNC_x" (x is TNC nummer).
REM
      In/uitschakelen van remote commando's. Werkt alleen als REM=1
RING
      Schakelt //RING opdracht. Indien uit (geen R-flag) zal er een afwezig melding
      volgen.
RM
      Toont de status van alle remote-opdrachten en kan eventueel gewijzigd worden.
RM opdracht niveau
      Dit commando zet "opdracht" op "niveau", voorbeeld [esc] RM ECHO 7
RMA
      Als (vanaf versie 6.50) met RM (zie hierboven) niveaus zijn verandert, kan met
      deze opdracht het vast gelegd worden in CONFIG.SP in de RMA= regel. Deze regel
      bevat de normaal waarden als STATUS.SP niet bestaat.
RMB filenaam            RMB QSO.BIN
      Herhaal een file die met het MB-commando is opgeslagen.
RP
      Wist padenlijst (in SP).
RP filenaam
      Laadt "filenaam" als nieuwe padenlijst.
RT
      Zendt een //ECHO //RT uit. Daarmee wordt de link-tijd berekend en getoond. Dit
      kan ook voor een ander kanaal gebeuren. (bv [esc] RT 2 zend //2 //RT. Het is van
      belang dat het tegenstation een //RT terugstuurt.
RUN
      Werkt net als de externe remoteopdracht. De uitvoer van de in de RUN-directory
      staande programma's worden als bijzondere data omgeleid en kan met [esc] VIEW
      automatisch getoond en gewist. Verder worden PRIV=1, RLVL=9 en MYCALL overgeno-
      men.
SAV
      Start opslaan van file, [esc] SAVE filenaam gebruikt de opgegeven naam.
SB file
      "file" wordt binair uitgezonden.
SCR
      Schakel bij nieuwe versie de scherm-schoner in, en stelt de timer in op 10
      minuten, als deze niet in SCT= is opgegeven.
SCR L
      Als boven, maar blokkeert gelijktijdig het toetsenbord.
SE "tekst"
      Zoekt in het ontvangstscherm naar "tekst", als dit gevonden wordt zal dir naar
      het invoerscherm gezet worden (vooropgesteld dat dit niet aan het einde staat).
      Bij nieuwe versie zoekt dit alleen naar "tekst". Indien mogelijk scrollt het
      scherm terug totdat de regel bovenaan het scherm staat. Als de backscroll actief
      is, wordt er vanaf de bovenste scherm regel gezocht in plaats van het begin van
      het buffer.
SK
      Toont de toestverandering (KEY=).
SO D
      Sorteert een TheBox check-list alfabetisch op onderwerp.
SO S
      Idem voor een DK5SG BBS.
SO F
      Idem voor een F6FBB BBS.

SO BOX C
      Sorteert de lijst (BOX= D, S of F) op call.
SO BOX S
      Idem op onderwerp.
SO BOX N
      Idem op nummer.
SO BOX /n
      Idem op de opgegeven kolom "n".
SO BOX /?
      Plaatst een kolom merk in het QSO-venster die verplaatst kan worden met de pijl-
      toetsen. Wordt op [enter] gedrukt, wordt de lijst gesorteerd volgens de kolom
      waar de cursor zich bevind.
      Voor alle SOrt opdrachten geldt tevens, dat door toevoegen van de letter "R", de
      sortering omgekeerd wordt weergegeven.
SP
      Splits alle 7PLUS delen die in de SAVE-file staan en schrijft deze naar de SPL=
      directory, met de juiste namen.
SPP hh:mm:ss
      Het SP wachtwoord, indien bekend, wordt uitgezonden de login tijd moet opgegeven
      zijn. Als de tijd vooraf gegaan wordt door "N", wordt het PRIV commando
      uitgezonden zonder "//". Het wachtwoord komt in het toetsenbord-buffer waar het
      wordt uitgezonden na [enter]. Controleer de exacte login met //TIME.
SR
      Toont de status van BinBatch, indien geactiveerd,
ST file
      "file" wordt uitgezonden in ASCII.
ST file :
      Verstuurt een tekst, zonder umlaut gebruik.
SU
      Toont de inhoud van SUBST.SP.
SU parameter tekst
      Hiermee kan een nieuwe regel aan SUBST.SP toegevoegd worden. voorbeeld :
      SU K5KKO K5KKO @ K5WPH.#NM.USA.NA
TP
      TNC parameters worden in het POP-up venster getoond. Bij een TNCs zal het
      formaat "p=n" zijn, waarbij p het TNC commando en n de waarde is. Bij een DRSI
      is het zo:
      Param PCPA Port 0: DIE=    0 PP=   64 SL=   10 FR=    3 MA=    2
                TR=   15 T2=  100 T3=20000 TX=   35 BA=    2 DU=    0
      Overzicht van de parameters (tussen [] is voor TNC):
      [R] DIE : Digipeat      [P] PP : P-Persistence  [S] SL : Slot time
      [F] FR : FRACK          [O] MA : MAXFRAME       [N] TR : Retry counter
      [@T2] T2 : Timer T2     [@T3] T3 : Timer T3     [T] TX : TXdelay
      [@D] DU : duplex        BA : baudrate (veranderen met [esc] HBAUD)
TYPE filenaam
      Gelijk aan VIEW.
UI TNC                  UI 2
      Kiest de UI (Unnumbred Information) TNC, dat is de TNC waar de getypte tekst op
      kanaal 0 wordt uitgezonden.
UL "tekst"
      Zoekt de file USERS in de huidige directory. Als die bestaat wordt gezocht naar
      regels die met "tekst" beginnen en toont de eerste 65 tekens van die regel.
      Wordt er geen tekst gegeven, wordt naar het verbonden station gezocht. Het
      zoekveld moet in USERS met een spatie of dubbelepunt gescheiden worden.UM n
      Schakelt duitse umlaut conversie. "n" heeft de volgende betekenis :

      n = 0 : geen conversie
      n = 1 : conversie naar DIN (haken en andere vreemde tekens, etc)
      n = 2 : conversie naar dubbele tekens (b.v.  = ae)
      Merk op dat bij het versturen van 7PLUS files UM 0 moet zijn, hetzij handmatig,
      hetzij door ":" toe te voegen aan het ST commando, bv [esc] ST file :
USER
      Toont de laatste 8 calls in LOG.SP.
USER call
      Toont de laatste verbinding met CALL.
VER
      Toont de CRC (een complex testgetal) van SP.EXE of SPO.EXE; niet veranderen.
VIew file
      Toont "file" op het scherm. Met [PgUp] en [PgDn] kan gebladerd worden.
VIew filenaam :n
      Als boven, maar begint bij regel "n". Afhankelijk van het beschikbare geheugen
      kunnen maximaal 16384 regels van een bestand getoond worden. Omdat een open
      SAVE-file niet met VIEW bekeken kan worden, is deze optie nodig (versie 6.50 +).
WFN
      Staat veranderen of opvragen van de naam van een binaire ontvangstfile toe
      terwijl binaire ontvangst bezig is.
WK
      Als met [esc] CFG KEY= een toestcode veranderd wordt, kan hiermee deze in 
      CONFIG.SP opgeslagen worden.
WRap n
      Zet de regel-afbreek positie voor het gekozen kanaal. "n" moet tussen 10 en 78
      liggen. Wordt "n" niet opgegeven, wordt de momentane waarde getoond.
WW filenaam
      Vervangt Alt-W. Als de naam niet gegeven wordt, wordt de standaard SAVE-filenaam
      gebruikt. Als van te voren terug gebladerd wordt, zal alleen het deel tussen de
      bovenste rand tot buffer einde opgeslagen worden.
WW filenaam (nieuwe versies)
      Schrijft het QSO-venster, of een deel hiervan, naar de opgegeven file. Als deze
      file bestaat, wordt een bevestiging gevraagd. Normaal wordt alles, met uitzonde-
      ring van lege regels en, als SAVE uit is, wordt deze filenaam gebruikt. Als de
      backscroll in gebruik is, wordt er begonnen vanaf de bovenste regel in het
      venster. Een pop-op venster toont de beschikbare commando's. [esc] breekt de
      opdracht af, [enter] slaat alles op tot het einde van de regel. "A" slaat alles
      op tot het einde van het buffer. Voordat [enter] ingedrukt wordt, kan vooruit en
      terug gescrollt worden, echter niet voorbij het punt waar WW begonnen is.
      Hiermee kan een bepaald deel van het scherm bewaard worden.
XT
      Toont alle mogelijke tekst kenmerken.
//remcmd
      "remcmd" moet een geldig remote opdracht zijn die wordt uitgevoerd waarvan de
      uitvoer naar het tegenstation gaat.
!...
      Bijna gelijk aan het DOS commando, behalve dat een commandoregel gespecificeerd
      moet zijn en dat interne DOS commando's gebruikt worden. Na de ! geen spatie
      geven; voorbeeld " !DEL TEST.TXT "
!!...
      Als boven alleen volgt nu geen schermuitvoer. Gebruikt dit alleen voor RENAME,
      COPY en degelijke commando's.?xxx
      Online hulp voor het gevraagde commando, bv ?view
7PL filenaam            7PL FOO.COR
      Roept 7PLUS.EXE aan en zal "filenaam" omzetten. De file(s) moeten in de SPL=
      directory staan en 7PLUS.EXE moet in een DOS-pad staan en er moet tenminste 100
      kB geheugen vrij zijn, volgens "memav" in het [alt]W scherm. Het resultaat wordt
      ook in de SPL= directory geschreven. Dit alleen gebruiken als automatische 7PLUS
      ontvangst niet actief is.

Opm.: de volgende commando's kunnen aangeroepen worden uit AT.SP of in combinatie met
//ESC: DO, FUL, FXL, HOS, HOLD, KILL, MB, MHC, NODE en PAC.

10 Afstand bediening / Remote control
SP kan door derden bedient worden net als bv Digicom. Opdrachten worden voorafgegaan
door "//" meteen aan het begin van een regel, direct gevolgd door de opdracht. Spaties
zijn alleen toegestaan als er een parameter gevraagd wordt. Wat in kleine letters
staat hoeft niet opgegeven te worden. Met [esc] RM kunnen opdrachten geblokkeerd
worden of een speciaal niveau toe te kennen (1..9). Alleen gebruikers met dat niveau
of een hoger niveau kunnen die opdracht gebruiken. Merk op dat SYSOP opdrachten alleen
mogelijk zijn als a) het niveau hoog genoeg is en b) het //PRIV (oude versies) of
SYSOP (nieuwe versies) commando goed is uitgevoerd. In geval dat een kanaal als NODE 
functioneert, hoeft een opdracht niet met "//" begonnen worden. Mocht een commando
niet werken, en/of je twijfelt aan je niveau, stuur dan eerst een lege regel en
probeer dan opnieuw, spaties voor de opdracht maken de opdracht ongeldig !

10.1 Priv niveaus
Alle opdrachten hebben een priv niveau, dit is een getal tussen 0 en 9. Speciale
betekenis hebben 0, 2 en 3.
0     Opdracht wordt nooit uitgevoerd, foutmelding volgt.
2     SP genereert geen "Reconnected to" voor "chat" is het station altijd bezet.
3     Geen opdracht wordt uitgevoerd, geen foutmelding volgt (handig voor BBS'en)
Toekenning van PRIV niveaus is iets voor de gebruiker, zeker bepaalde opdrachten die
door bepaalde mensen niet gebruikt mogen worden. Merk op dat beschermde opdrachten
niet uitgevoerd worden als het //PRIV niet juist is afgehandeld, ongeacht het niveau.
Geen enkel station mag een opdracht uitvoeren wat hoger is dan het toegekende niveau.
Het normale niveau is 1, tenzij in GREETING.SP anders is opgegeven.

10.2 Beschrijving van remote commando's
Hier volgt een alfabetische lijst met remote commando's. Merk op dat in deze lijst
"//" niet staat, maar moet wel gegeven worden. Het formaat is gelijk als bij het
overzicht van de [esc] opdrachten.
n tekst
      Deze opdracht stuurt "tekst" naar kanaal "n". Dit is het CHAT commando en is
      niet beschikbaar als men op het gevraagde kanaal bezig is met up/down loading of
      indien er sprake is van niveau 2 of 3.
All tekst
      "tekst" wordt naar alle verbonden stations gestuurd.
CD directory
      Met deze opdracht kan er van subdirectories gewisseld worden, onder de RMP=
      directory. Mag niet in de SYSOP mode gebruikt worden. Werkt vanaf versie 6.50.CAtalog
      Geeft de directory van RMP=, bv. \SP\REM en toont de bestanden dien met //R en
      //RP te lezen zijn. Als de gebruiker berichten heeft, worden die ook getoond. Er
      kan een pad opgegeven worden, echter lager dan het niveau opgegeven in RMP= kan
      men niet gaan, zodat de gebruiker slechts een beperkt gebied kan werken. Ook kan
      met //CD van de werk directory gewisseld worden.
      Het commando toont veel overeenkomst met het DOS commando DIR. Wildcards zijn
      toegestaan. Met de toevoeging /S worden de subdirectories getoond. Let er op dat
      er voldoende ruimte is op de harde schijf, omdat de uitvoer van deze opdracht
      gebufferd wordt op de harde schijf.
CFG
      Hiermee wordt de SP-configuratie en het [alt]W status scherm getoond. Deze
      opdracht wordt standaard met niveau 7 geladen, zodat niet iedereen hier gebruik
      van kan maken.
COMP
      Hiermee wordt de compressie in/uit geschakeld (zie elders in deze handleiding).
      Gebruik nooit "//COMP 1" of "//COMP 0". Er wordt geen schade aangericht, maar de
      stations raken uit synchronisatie en moet je disconnecten of met [ctrl][F12]
      herstellen !
Connect call TNC
      Dit is de "gateway" functie. Een vrij kanaal wordt toegekend, indien die er niet
      is volgt een melding, anders zal op dat kanaal de call van de gebruiker met een
      invers SSID aangenomen worden (bij de nieuwe versies alleen indien RID=ON) en de
      verbinding zal gelegd worden. De autoroute lijst wordt nagezocht. Wordt het
      station daarin gevonden, ook uitgevoerd. Wordt een station niet gevonden, zal
      een directe connect poging volgen op dezelfde TNC. De TNC call opgegeven worden
      na de call, bv. //PE1JDX 2: PE1JDX zal dan geconnect worden op TNC 3 (merk op
      dat dir de derde TNC is !) Alle status meldingen worden doorgegeven. Als, na een
      geslaagde verbinding, een DISC frame ontvangen wordt, zal de gebruiker weer in
      SP komen en verdere commando's kunnen geven. Eerst volgt "reconnected to"
      melding, behalve bij gebruikers niveau 2 of bij het commando //C!, in dit geval
      wordt de verbinding verbroken.
      Als er geen TNC wordt opgegeven, zal er gekeken worden in PATHLIST.SP op welk
      TNC het gewenste station voorkomt. Voorbeeld: Op TNC 0 komt het commando //C
      PI8DXE. In de lijst staat dat dit op TNC 1 bereikt kan worden en zal hiervoor
      TNC 1 gebruiken alsof het commando //C PI8DXE 1 ontvangen was. Wordt //C PI8DXE
      0 ingetoetst, zal op TNC 0 getracht worden dit station te connecten.
      SP zal het hoogste vrije kanaal nemen voor een uitgaande connect. Zodra de
      verbinding gelegd is, wordt alle data doorgestuurd naar tegenstation.  Wordt er
      data ontvangen, voordat de verbinding gelegd is, worden de pogingen gestopt. Als
      het tegenstation geen DISC kan uitzenden, zoals met een aantal nodes stuur dan
      ^D^D^M (twee keer control-D en control-M, zorg wel dat dit in n frame wordt
      uitgezonden. Merk op dat als XFI=ON de data uitwisseling tussen de twee kanalen
      automatisch gebufferd kunnen worden op de harde schijf.
COnv n
      Start converse mode. n is "convers-kanaal". Bij de nieuwe versies kan een kanaal
      tussen 0 en 65534 gekozen worden, zonder opgave komt men op kanaal 0. Zie ook
      het hoofdstuk hierover.
CStatus
      Toont de stations die op de kanalen verbonden zijn. * geeft het eigen kanaal
      aan. < betekent connect van buiten, > connect naar buiten. Alleen actieve
      kanalen worden getoond.
Discon
      Onmiddellijke disconnect, zonder tekst.
DO fn
      De file 'fn' wordt uitgevoerd. Is gelijk aan [esc] DO fn. Alleen voor SYSOP's.
Echo x
      De tekst 'x' wordt teruggestuurd.
ESC cmd
      Hierna wordt een [esc]-commando uitgevoerd. Sommige commando's lijden tot een
      crash ! Alleen voor SYSOP's
Help
      Toont hulp voor commando's. Afhankelijk van de call wordt REMHELPD.SP (duits) of
      REMHELPW.SP (engels) uitgezonden. Beide files kunnen gewijzigd worden.
HELP commando
      Op deze wijze kan bij de nieuwe versies hulp over een commando gevraagd worden.
      Als er geen help beschikbaar is, volgt een lijst met mogelijke commando's.
Info
      Toont de informatie in de file INFO.SP, file moet in SPDIR staan. SYSOP kan de
      tekst zelf bepalen. Er zal eerst gezocht worden naar een MYCALL.INF (bv
      PA0PT.INF) en geeft die file in plaats van INFO.SP
Kill file
      Deze opdracht wist persoonlijk berichten. Als berichten de naam ROEPNAAM.xxx
      hebben, kan dat station dat bericht met //W lezen. Na het KILL commando wordt de
      file ROEPNAAM.$xx genoemd waar 'xx' is het bericht nummer genaamd.  Het
      tegenstation kan de file niet definitief wissen, files met .$xx worden niet meer
      getoond. De operator moet zelf de file wissen. Heeft een tegenstation de SYSOP-
      status, dan kan hij wel volledig wissen.
Lans
      Toont LAN-definities (L>=) voor de huidige frequentie.
MAIL              (Handig op node kanalen)
      //MAIL zoekt naar post, //MAIL FILENAAM leest het, //MAIL K FILENAAM wist het.
      Geen "//" op een node kanaal nodig.
MHeard
      De gehoorde stations worden getoond (alleen call en frequentie).
Mheard C
      De monitorlijst wordt gewist. Alleen voor SYSOP's.
MHeard L
      De gehoorde stations worden getoond in lang formaat, dwz. met netwerk-node,
      datum en tijd.
MHeard T
      Als TIC=1 is, dan worden de 7 meest recent gehoorde calls getoond.
MHeard n
      "n" is een TNC-nummer. De lijst van die TNC wordt verkort uitgezonden.
MHeard Call
      Alleen stations met "call" worden getoond. Gedeeltelijk is toegestaan; //MH PE1
      zal alle gehoorde PE1-stations tonen.
MON
      Het bij MLN= opgegeven aantal regels van het monitorscherm worden uitgezonden
      (normaal 10). Met SYSOP-status kan een waarde opgegeven worden, bv //MON 50.
      Alle regels beginnen met "M:", zodat er geen ongewenste effecten optreden.
MYC [optie]
      Dit commando is alleen voor SYSOP's. Hiermee kan de huidige roepnaam veranderd
      worden op een vrij kanaal; voorbeeld MYC 8 N5NX , nu kan kanaal 8 als N5NX
      geconnect worden. Zonder optie zal de huidige call getoond worden.
NAME
      toont de naam, zoals die in GREETING.SP staatNAME <naam>
      Voor het opgeven van je naam, wijzigingen kan niet !
NCAT [optie]      NC *.* /S
      Als //CAT, maar toont alleen de bestanden die sedert de laatste verbinding
      bijgekomen zijn. Wordt dit tijdens de eerste verbinding gebruikt, is het gelijk
      aan //CAT. Goede werking hiervan hangt af van de file LOGINS.SP.
NEws
      Toont de files NEWS.SP.
Nodes
      "TheNet"-nodes en "pathfinder calls" (uit PATHLIST.SP) worden getoond.
Path
      Toont alle te connecten stations uit de PATHLIST.SP; gelijk aan //T
Path L
      Toont alle beschikbare "autoroutes" voor de werk frequentie. Na L geen tekens !
Path call
      Toont het autorouting pad voor 'call'.
PARam
      Toont de belangrijkste TNC parameters.
PFInder
      Toont "pathfinder" paden, of melding als PFI=0. Bij nieuwe versies weggelaten.
PRiv x
      Het wachtwoord 'x' wordt gecontroleerd. Als het correct is, krijgt het station
      SYSOP-bevoegdheden. In nieuwe versie weggelaten; zie SYSOP !
PRO
      Met PRO 1 wordt de prompt ingeschakeld, met PRO 0 wordt de prompt uitgeschakeld.
Quit
      Een disconnect wordt uitgevoerd als er geen onbevestigde frames meer zijn. In
      tegenstelling tot //DISC wordt eerst de tekst uit QRT.SP (mogelijk ook compres-
      sie status), datum en tijd van disconnect worden als laatste uitgezonden.
Quit x
      Een disconnect wordt onmiddellijk uitgevoerd, niet uitgezonden informatie gaat
      verloren. 'x ' mag alles zijn, behalve <spatie>.
RAUTO filenaam
      Deze opdracht kan gebruikt worden om automatisch een binaire file te lezen,
      syntax is RA DEMO.LZH. Het is gelijk aan //RPRG (zie later); er mag geen pad
      opgegeven worden.
RBAT filter [...]
      Met dit commando kunnen meerdere binaire bestanden uitgezonden worden. Het
      tegenstation moet SP 6.50. 7.00, 7.50 of 9.xx gebruiken en PRIV niveau moet op
      3 gezet worden. Na een regel met status info wordt het aantal bestanden
      weergegeven en worden een voor een uitgezonden. Meerdere filters kunnen
      opgegeven worden; voorbeeld : RBAT *.EXE IBMSOFT\*.LZH  De bestanden worden in
      de BIN= directory opgeslagen, bestaande bestanden worden overgeslagen.
Read file
      Leest informatie of persoonlijk bericht voor en van het tegenstation. De
      filenaam moet volledig zijn. Alleen files die met //CAT getoond worden, kunnen
      gelezen worden. Pad hoeft niet gegeven te worden, andere paden mag opgegeven
      worden, mist deze binnen RMP= directory vallen.
RESET
      SYSOP commando om de computer te restten.
RIng [n]
      Laat een bel overgaan, mits ingeschakeld anders volgt een foutmelding. Bij 'n'
      kan, indien het getal van NRI= niet overschrijdt, tot 20 maal bellen. Bij //RI
      gelijk aan NRI=, volgt een melding; als het commando vaker dan NRI= +3, dan
      volgt een disconnect !
RPrg filenaam
      De opgegeven file wordt binair uitgezonden. Verder gelden de zelfde voorwaarden
      als bij //Read. Verder is een hoofdstuk die over binaire verzending gaat.
RTt
      Geeft de link-tijd aan. Is gelijk aan [esc] RT, wat de voorkeur heeft.
SYsop <opdracht>
      Hiermee kan een station op afstand SYSOP-status krijgen, zie 10.2.4
Terms
      Gelijk aan //P alleen kunnen er geen parameters opgegeven worden.
TIme
      Toont start QSO, huidige tijd en byte overdracht.
TNc kan cmd
      Het commando 'cmd' wordt aan kanaal 'kan' gestuurd als een TNC-commando, de
      reactie wordt niet terug gestuurd. Beide parameters moeten gebruikt worden.
      Alleen voor SYSOP's.
Users
      Toont de laatste 10 tot 15 verbindingen.
VERsion
      Deze opdracht laat algemene informatie zijn; SP versie nummer, serie nummer,
      verstreken tijd, TNCs, kanalen en vrij geheugen.
WAUTO filenaam
      Dit is gelijk aan //WP file.1 file.2, maar nu is een filenaam zonder pad
      voldoende.
WPrg filenaam
      De file 'filenaam' wordt binair ontvangen, er mag geen pad opgegeven worden. De
      verzender moet op een status bericht wachten alvorens met de uitzending te
      beginnen.
Write
      Geeft een bericht dat aangeeft of ontvangen data opgeslagen is.
Write Call
      Stuur een persoonlijk bericht aan <call>. Het bestand krijgt een kop, met call,
      datum, tijd en afzender. Wordt alleen de call opgegeven, wordt de extensie een
      getal tussen 000 en 999. Wacht op de prompt en geef dan het bericht. Afsluiten
      met //W OFF, [ctrl]-Z of //Q; afbreken kan met [ctrl]-D. De geadresseerde krijgt
      bericht bij het inloggen. SP controleert de call.
Write Filenaam
      Stuurt een bericht dat door iedereen gelezen kan worden. Filenaam moet uniek
      zijn. Het bestand krijgt een kop, met call, datum, tijd en afzender. Wordt
      alleen het onderwerp opgegeven, wordt de extensie een getal tussen 000 en 999.
      Let op dat geen roepnamen in de naam voorkomen; G3RUH.DOC alleen door G3RUH
      gelezen kan worden !! Wordt de verbinding abnormaal verbroken, wordt het bestand
      gewist, tenzij DWF=OFF; dan wordt het onder een tijdelijk naam opgeslagen.
XDOS c
      Met een SYSOP-status kan //XDOS <opdracht> gebruikt worden om een DOS commando
      uit te voeren. Er moet voldoende geheugen vrij zijn en het programma mag niet
      interactief zijn (dus geen invoer via toetsenbord). De uitvoer wordt opgeslagen
      in een file genaamd !DOS! in de huidige directory. Deze file wordt uitgezonden
      zodra het commando uitgevoerd is. Het XDOS commando wordt nog gebruikt, maar
      wordt vervangen door RUN-commando's (zie verder een hoofdstuk hierover).

De volgende commando's werken niet in NODE mode:
      CAT, KILL, READ, WRITE, RPRG, WPRG, RAUTO, WAUTO
De volgende commando's hebben een andere uitvoerformaat in NODE mode:
      CS, USER
Let er op dat er een remote commando gelijktijdig loopt, ze kunnen niet altijd
gelijktijdig draaien !10.2.1 Schrijven en lezen
Opmerking bij //R, //W, //CAT, //RPRG, //WPRG:
Alle files worden opgeslagen in de RMP= directory. Persoonlijke berichten hebben de
naam van de call met een extensie. Wordt de verkeerde call gegeven, dan zal het
bericht nooit aankomen ! Let er op dat een file al niet bestaat (zeker bij WPRG !!).
Als een file als bestaat zal de ingevoerde tekst bijgevoegd worden.

10.2.2 Extra SYSOP commando's
Een aantal opdrachten heeft de toevoeging "Alleen voor SYSOP's". Om toegang te krijgen
tot deze opdrachten, zal eerst het //SYS protocol goed doorlopen worden. Alle eerder
genoemde beperkingen voor de read en write commando's worden dan opgeheven. Volledige
padnamen, ook in //CAT, zijn toegestaan. //W kan gebruikt worden om een willekeurige
tekstfile op te slaan, een file met de zelfde naam te overschrijven. Met //R kan elke
tekst gelezen worden. //WPRG overschrijft programma's met de zelfde naam.

10.2.3 SYSOP status krijgen (oudere versies)
Aan het volgende moet voldaan zijn om deze SYSOP status te verkrijgen:
 1. De operator moet PASSWD.SP genstalleerd hebben.
 2. De call moet in die lijst staan.
 3. Het station moet op de juiste manier //PRIV gebruikt hebben.
Gedetailleerde beschrijving van het PRIV commando.   SYNTAX:  //PRIV xxxx
xxxx is een paswoord, samengesteld uit de som van de connect-tijd (uren, minuten,
seconden), zoals door SP opgegeven. Het "moduli-60" resultaat van deze som is een
instelling in een net van 64 tekens, bepaald door de operator. Het paswoord bevat de
tekens direct na die instelling. Voorbeeld :
Paswoord "qwertyuiopasdfghjklmnbvcxzaqwsxcderfvbgtyhnmjuikloplkjhytgfd"
Login-time 16:44:20  ;  Offset = (16+44+20 [=80]) MOD 60 = 20.  Commando: //PRIV nbvc
Bij iemand met SYSOP-status gaat het kanaal nummer knipperen en in het LOG zal de (P)
worden toegevoegd.

10.2.4 SYSOP status krijgen (nieuwere versies)
Het SP-wachtwoord is FlexNet compatibel. Het opvragen gebeurt met //SYSOP. De file
PASSWD.SP is qua opbouw gelijk aan FLEXPW.SP en bevat de codes die aan een tegen
station toegewezen zijn. De codes van de tegenstations worden in FLEXPW.SP geschreven
waardoor er bij ontvangst van een paswoord-prompt automatisch een antwoord gegenereerd
wordt. De code is een getal tussen 1 en 32767. Het commando //SYSOP ? toont de PRIV-
status. De SYSOP-mode wordt uitgeschakeld als een foutief antwoord volgt. Voorbeeld :
Ik geef PA3FXW code 12345, PA3FXW geeft mij 54321. In mijn PASSWD.SP staat
PA3FXW=12345 en in mijn FLEXPW.SP PA3FXW=54321; bij PA3FXW is dat omgekeerd.
De SYSOP-status is met //SYSOP 0 uit te schakelen. Een wachtwoord wordt genegeerd als
de SYSOP-mode actief is. LET OP: het //SYSOP kan alleen gebruikt worden als het een
inkomende verbinding is.

11 Teruglezen
In het QSO-venster kan terug gebladerd worden om van het scherm verdwenen data te
lezen. Het aantal regels hangt af van het beschikbare geheugen en is maximaal 409
regels per kanaal (64 kB); bij nieuwe versies is dat in theorie 1999 regels. Zie REC=,
RVS= en SWP= voor meer informatie. Het aantal terug te halen regels is te lezen wordt
weergegeven in het invoerscherm als het programma start. 
Wordt SWP=n, waarbij n tussen 3 en 26 is (dwz drive C: t/m Z:) worden de buffers naar
die disk geschreven (RAM disk heeft de voorkeur). Hiermee zijn grote scherm buffers
mogelijk omdat in plaats van een buffer per kanaal nu slechts twee buffers nodig zijn.
Wordt DOS 5 of hoger gebruikt en minimaal een 386 met HIMEM.SYS wordt aanbevolen SWP=1
te kiezen om het XMS te gebruiken. Test met het DOS commando MEM of er voldoende
geheugen vrij is voordat SP voor de eerste maal gestart wordt. Merk op dat indien
SWP=0 en SP merkt dat HIMEM.SYS geladen is, SWP automatisch '1' wordt !
Worden buffer "geswapt", zal een RAM buffer die overeenkomt met de grootste omvang in
het hoofdgeheugen gehouden worden, samen met het monitor kanaal buffer. Aanbevolen
wordt per regel 160 bytes te reserveren voor buffers.
De volgende toetsen zijn te gebruiken om door het buffer te bladeren. De "grijze"
toetsen zijn de toetsen op het numeriek eiland. Heeft uw computer die niet, dan kan
met KEY= een aantal toetsen herbenoemd worden.
Grijze -
      gaat 1 pagina terug.
Grijze +
      gaat 1 pagina vooruit.
Ctrl-End
      Gaat naar het einde van het buffer.
Ctrl-PrtScr
      Gaat naar het begin van het buffer.
Shift grijze +
      Gaat 1 regel vooruit.
Shift grijze -
      Gaat 1 regel terug.
Shift  (aparte toets op uitgebreide toetsenbord)
      als [shift] gryze -
Shift  (aparte toets op uitgebreide toetsenbord)
      als [shift] gryze +
Wordt tijdens het terug lezen tekst ontvangen, zal er automatisch gecorrigeerd worden
zodat het beeld niet veranderd wordt. De tekst wordt wel aan het einde van het buffer
opgeslagen. Indien er geen 'grijze toetsen' aanwezig zijn, kan in CONFIG.SP het
volgende worden toegevoegd :
      KEY=7800,4A2D
      KEY=7900,4E2B
Hiermee wordt [alt]1 als de grijze - en [alt]2 als grijze +.

Als er terug gelezen wordt, zal in plaats van de frequentie een status komen.
Voorbeeld: R:050/100  Dit geeft aan de bovenste regel van het scherm overeenkomt met
regel 50 in het buffer, (dus kan nog 50 regels verder terug gegaan worden) en het
totaal aantal regels (max. 409 bij oude versies). Bij nieuwe versie kan het zijn dat
er meer dan 1000 regels zijn, dan wordt alleen de positie weergegeven.

12 Convers mode
Met //CONV ga je de conferentie-mode in; lokaal met [esc] CONV (verder convers-mode
genoemd). Een kanaal-nummer tussen 0 en 255 (65535 bij nieuwe versies) kan opgegeven
worden. In deze mode zal de tekst die niet met / begint, aan alle stations in convers
op het zelfde kanaal gestuurd worden. De call van de afzender gaat aan de tekst
vooraf, tenzij er meerdere regels ontvangen worden van dat station.
[esc] CONV stelt automatisch de regelafbreking in op 65, als de converse mode weer
beindigd wordt, zal de standaard waarde weer aangenomen worden. Tegen stations moeten
ook deze instelling op 65 zetten voor een esthetisch beeld.
De normale //-commando's werken niet. Toch zijn de volgende commando's beschikbaar :
 /H      toont hulp
 /C n    wissel naar kanaal 'n'
 /W      wie gebruikt converse? TNC-kanaal, callsign en converse kanaal getoond
 /Q      eind converse (blijft geconnect)
 /D      eind converse en disconnect
 /S n t  stuurt tekst 't' naar TNC-kanaal 'n'
De SYSOP kan meedoen vanaf de console. Daartoe geeft hij het [alt]-J commando op een
vrij kanaal. Ook de /-commando's zijn beschikbaar. Als de SYSOP tekst invoer, zal de
call meegegeven worden. Verder heeft hij de beschikking over de volgende commando's: /U n    Beindigd converse voor TNC-kanaal 'n'
 /J n    Betrekt TNC-kanaal 'n' in converse
Zolang de SYSOP in convers mode is, staat CONVERS in de statusregel. Na [alt]-G
verlaat de SYSOP de convers. Er volgen geen meldingen als de SYSOP in en/of uit logt.
Converse status meldingen :
<Call> logged on        Iemand komt op het kanaal door //CONV of /C
<Call> logged off       Iemand gaf /Q, /D of werd gedisconnect
<Call> QSY to Ch x      Iemand heeft een ander kanaal gekozen met /C
                        Deze meldingen zijn altijd in het engels.
Let op: Na beindiging met [alt]-X gaan de converse parameters verloren. Wordt er
direct weer gestart zijn alle gebruikers in de normale mode.

13 Bestanden binair versturen
13.1 Algemeen
Met SP kunnen bestanden binair verstuurd worden die met een CRC beveiligd zijn. Er
zijn een aantal mogelijkheden, waarvan de automatische het eenvoudigst is; dan hoeft
alleen het vragende station bemand te zijn.
Het is niet nodig om de bestanden dezelfde naam te geven. Met FILE1 wordt het remote
bestand bedoelt, FILE2 is de naam op de eigen schijf. Merk op dat datum en tijd gelijk
zullen zijn.
In SYSOP-mode worden de bestanden naar de huidige directory geschreven, voor anderen
zal dit naar de RMP= directory gaan (tenzij een "ontvangst-pad" gebruikt wordt.

13.2 Handmatig versturen
Binaire files kunnen overgestuurd worden met [esc]-SB (zenden) en [esc]-RB (ontvan-
gen). De "ontvanger" opent eerst een file met [esc]-RB, dan de verzender met [esc]-SB.
Het aantal bytes wat nog verstuurd moet worden, staat in plaats van de frequentie. Let
er op dat de ontvanger [esc]-RB gegeven heeft voordat de #BIN# serie uitgezonden
wordt. Dit is in het bijzonder kritisch als de opdracht kwam met //RPRG. Binaire
overdracht kan met [alt]-K afgebroken worden. Volgorde van zaken :
  1   Ontvanger geeft [esc] RB <filenaam>
  2   Verzender geeft [esc] SB <filenaam>
  3   Verzender zendt #BIN#n, waarbij n het aantal bytes is
  4   Ontvanger zendt #OK#
  5   Verzender verstuurt de file
  6   Als de overdracht compleet is (en de teller op 0 staat), zal de ontvanger
      #OK#nnnn sturen, nnnn is een decimaal 16 bit CRC. Deze waarde wordt ook getoond
      op de console aan het einde van het overzenden.
Als de overdracht wordt afgebroken, wordt de incomplete file gewist.
De exacte IDs die uitgewisseld worden zijn :
#BIN#nn#$xxx#c#fn# (nn = bytes, xx = datum/tijd(HEX), c = crc, fn = filenaam)
#OK#fn#               (fn    = file name)
Bij oudere versies word de CRC nog niet meegestuurd. Ingeval van een foutieve CRC
wordt de tijdelijke file TEMPFILE.$xx niet herbenoemd, er volgt een foutmelding.
De handmatige methode zal nodig zijn voor "vreemde" #BIN# ondersteunende programma's
zoals TOP, THP, GP, F6FBB en dergelijke. Om een bestand te versturen, geef eerst het
schrijf-commando (bv //WPRG FILE1 of BPUT bij F6FBB) en na de prompt [esc] SB FILE2.
Voor binaire ontvangst, draai de procedure om; dus [esc] RB FILE2 en dan //RPRG FILE1
(of BGET bij F6FBB). Bij versie 9.xx zal bij de juiste instelling BGET al voldoende
zijn om het bestand in de BIN= directory te schrijven.
Tijdens een binaire versturing verschijnt er op secundaire statusregel de huidige
overdracht gegevens. Als deze regel niet ingeschakeld is, kan dit met [alt]W alsnog
getoond worden.13.3 Automatisch versturen
Vanaf versie 5.0 kunnen files automatisch overstuurd worden. In dit geval is een
station inactief. Het ene station zend n commando uit. Wel dienen beiden met SP 5.0
of hoger te werken. De commando's moeten wel beschikbaar zijn, maar het tegenstation
behoeft niet bemand te zijn. Ook zijn de juiste priv-niveaus nodig. Merk op dat bij
het opgeven van een pad, of een bestandsnaam eerst [alt]O om het tegenstation SYSOP-
status te geven voor de versturing begint.
Versturen van een file: typ  //WPRG FILE1 FILE2
Als de file geopend kan worden, stuurt het tegen station  //RPRG FILE1 .
Ontvangen van een file: typ  //RPRG FILE1 FILE2
Wordt de file gevonden zendt het tegen station  //WPRG FILE2 `
Het `-teken wordt gebruikt om aan te geven dat het tegenstation geen start-prompt mag
uitzenden. Dit teken is het accent teken in ASCII 0x60.
Zijn er geen pad aanduidingen nodig en zijn de namen gelijk, dan kunnen de commando's
//WAUTO FILE1, dan wel //RAUTO FILE1 gebruikt worden (versie 6.50 en 9.xx !).

13.4 Binchat
Terwijl de binaire overdracht bezig is, kunnen beide station converseren, zonder dit
te benvloeden. Alleen toetsenbord aanslagen worden verstuurd. Wel kunnen er problemen
ontstaan met packet-lengtes. De "chat"-tekst wordt door "SP\-" vooraf gegaan om het te
onderscheiden van de data.

13.5 Afbreken en verder gaan
Gebruikers van 9.xx kunnen een binaire overdracht vervolgen die afgebroken is, tenzij
er een CRC fout is. Normaal wordt een tijdelijk bestand geschreven tijdens de
ontvangst. Bij het afbreken wordt deze niet gewist. Wanneer men verder gaat wordt het
vergeleken met het origineel en gaat men verder als de checksum klopt. De extensie van
het programma zal beginnen met "$", zoals in TEST.$XE. Binaire verzendingen kunnen
afgebroken worden met: Disconnect, [alt] K, link failure en een reconnect.

13.6 Binbatch
Met deze speciale variatie kunnen meerdere bestanden verstuurd worden. In dit geval
zal alles opgeslagen worden in de BIN= directory. Het commando is alleen om te
ontvangen, dus niet om uit te zenden. Het tegenstation moet SP 9.xx draaien of
tenminste SP 7.00 met het remote niveau op 3 !
Binbatch mag meerdere namen en wildcards bevatten. Voorbeelden : //RBA *.EXE ,
//RBAT *.* , //RBAT *.COM *.GIF DOCS\*.TXT
De "d" vlag met AWA= kenmerk geeft actieve BinBatch aan. Dubbele bestanden worden
overgeslagen.

13.7 BoxBin
Dit is een speciale toepassing van "TheBox", die in het duits-talige deel van Europa
vaak gebruikt wordt. Als niveau 3 toegekend is, zal alle data met een goede #BIN#
header automatisch als binair bestand behandeld worden.

13.8 7PLUS
DG1BBQ maakte het 7PLUS programma dat gebruikt kan worden om binaire bestanden om te
zetten in ASCII, zodat het via BBS'en verstuurt kan worden. Dit splits tevens het
programma in handelbare delen en voegt fout controle en een forward fout correctie
toe. Als de data vervoert moet worden over "vreemde" programma's of BBS'en, is dit de
beste manier.
Met [esc] SP kan alle 7PLUS delen uit een SAVE-bestand gehaald worden, deze worden
naar de SPL= directory geschreven. De voorkeur heeft echter het tegenstation niveau 3
te geven en SPA=ON. Dan worden de 7PLUS delen automatisch herkent en naar SPL+
geschreven zonder tussenkomst van de operator.Indien alle 7PLUS delen ontvangen zijn, kan met [esc] 7PL FILENAAM alle delen weer
samengevoegd worden. Let er op dat 7PLUS.EXE toegankelijk moet zijn en minstens 100 kB
vrij geheugen moet zin onder SP. Als er 7PLUS-delen ontvangen wordt, wordt dit getoond
in de statusbalk, met [alt] W en de tweede statusregel.

13.9 Meer informatie
Als je meer informatie wilt over binair versturen neem dan contact op met :
DG1BBQ @ DB0CL.DEU.EU voor 7PLUS
Lokale BBS over #BIN# protocol, indien niet aanwezig dan via DK4NB @ DB0AAB.DEU.EU.

14 Autorouting
Elke connect dat met [alt]-C of //C gevraagd wordt, komt in aanmerking voor autorou-
ting. Er wordt in de PATHLIST.SP gekeken of de call voorkomt. Zo ja, dan wordt dat pad
gebruikt, anders de huidige frequentie. De call moet precies gelijk zijn. Om buiten de
autoroute om te gaan, gebruik dan [esc]-C i.p.v. [alt]-C. De frequentie moet ook
bekend zijn voor een goede werking. Normaal zal een mislukte poging leiden tot een
disconnect. Door de '/' toe te voegen, zal dit niet gebeuren en met het laatst
geconnecte station blijft de verbinding.
Voorbeeld. Stel dat DL0AMP niet reageert :
Pad: 438.175:DL6MBI N>MW70-* N>DB0PV-5 N>DB0AAB-2 N>DL0AMP-2
* C DL6MBI     > omdat DL0AMP niet reageert, zal de verbinding verbroken worden.
* C DL6MBI /   > nu zal de verbinding met DB0AAB-2 in takt blijven.
Er zijn twee soorten stations in PATHLIST.SP; LAN's en terminal stations. Wordt een
LAN geconnect, wordt het niveau nooit vanuit GREETING.SP ingesteld. Alle bestemmingen
opgeslagen in PATHLIST.SP, zelfs LANs als zij niet simpele digipeaters zijn, kunnen
met [alt]-C of op afstand met //C geconnect worden. Het is ook mogelijk om "via" een
LAN te connecten, bv [alt]-C DB0CZ =PLBG  .
Als het doel bereikt is zal dit met een toontje kenbaar gemaakt worden.

14.1 Bijzonderheden
Connects kunnen op vier manieren tot stand komen:

14.1.1 Autorouting met ALT-C
Nadat [alt]-C ingedrukt is volgt een call. SP zoekt in de padenlijst van boven naar
onder. Het eerst gevonden pad zal gebruikt worden. Wordt er geen pad gevonden, zal een
connect poging volgen alsof het een [esc]-C commando was. [alt]-C mag ook voor een
gedeeltelijke connect gebruikt worden en de laatste node maakt deel uit van het pad.

14.1.2 Autorouting met //C
Bijna gelijk aan [alt]-C, behalve dat dit commando alleen "op afstand" gebruikt kan
worden (zonder // op een node kanaal). Het verschil is dat SP de juiste TNC kiest als
er meerdere TNC's zijn of opgegeven is.

14.1.3 Autorouting met F-toets
Als een connect gestart wordt met [alt]-[F1]..[F10], een pad met de overeenkomstige
toets moet bestaan (zie [alt]-F). In dit geval kan een ander pad gekozen worden.
Hiermee kan een van de 10 eerst paden opgeroepen worden uit PATHLIST.SP voor de
huidige frequentie. SP vraagt bevestiging, alvorens het uit te voeren.

14.1.4 Autorouting met ALT-C+<enter>
Als na indrukken van [alt]-C [enter] wordt ingedrukt zal er zoveel paden als er op het
scherm passen getoond worden. Met de cursortoetsen kan een pad gekozen en uitgevoerd
worden na [enter] of afgebroken met [esc]. Met [PgUp] en [PgDn] kunnen de overigen
paden getoond worden. Na intoetsen van "E" wordt het pad in het invoerscherm ge-
plaatst, zodat het eventueel gewijzigd kan worden.14.2 Pathfinder
Als aanvulling op de door de SYSOP opgegeven paden is een automatische pad-vinder in
SP genstalleerd die paden berekend via "level 2" digipeaters. De pad-vinder moet
ingeschakeld zijn met PFI=1 in CONFIG.SP.
Elk gehoorde infoframe via een digipeater wordt in alle mogelijke paden opgedeeld en
bij de PATHLIST.SP gevoegd. Deze functie is zeer arbeidsintensief en wordt alleen
aanbevolen op snelle 286's en hoger. Voor een 12 MHz 286 geldt 12 ms per pad. De eigen
frames worden niet bewerkt. Ook niet als de SSID 8 of hoger is. Verwerking van frames:
1. Als het doel direct gehoord wordt, berekent SP alleen het pad naar de "bron".
2. Als de "bron" direct gehoord wordt, berekent SP alleen het pad naar het doel.
3. Als een digipeater gehoord wordt, worden alle paden in het frame berekend.
Voorbeelden :
1. gehoorde frame: (DK6GC direct, begin call; ook als DB0CZ direct, eind call)
fm DK6GC to DB0CZ via DB0DQ DB0HP
SP bewaart :
DB0CZ D>DB0DQ D>DB0HP
2. gehoorde frame: (DB0DA gehoord *)
fm DJ9UN to LX0PAC via DB0AJA DB0KT DB0DA* DB0ID DB0HP LX0PAC-1
SP bewaart :
DJ9UN D>DB0DA D>DB0KT D>DB0AJA
LX0PAC D>DB0DA D>DB0ID D>DB0HP D>LX0PAC-1
DB0AJA D>DB0DA D>DB0KT
DB0KT D>DB0DA
DB0ID D>DB0DA
DB0HP D>DB0DA D>DB0ID
LX0PAC-1 D>DB0DA D>DB0ID D>DB0HP
Oude berekende paden worden overschreven, alleen het laatst gehoord pad is geldig.
Werkt alleen met I-frames. Vaste paden worden NIET overschreven. Bij beindiging van
SP zullen de paden verloren zijn, tenzij deze zijn opgeslagen met [esc] PATH WRITE
<filenaam>.

14.2.1 Pad leren
Het [esc]-commando LEARN kan gebruikt worden om een pad op te slaan in PATHLIST.SP. De
volgende volgorde moet in acht genomen worden.
  1.  Typ [esc] LE, L staat in de statusregel. Slechts een kanaal kan een pad leren.
  2.  Geef het [esc] connect commando naar de eerste LAP. [alt]-C alleen voor LAN's !
  3.  Typ weer [esc] LE, het pad wordt getoond en SP vraagt bevestiging, bij Y wordt
      het pad opgeslagen in PATHLIST.SP
Opmerkingen:
  -   LEARN wordt afgebroken met DISC.
  -   LEARN kan gestopt worden met [esc] LE. Pad wordt getoond en kan opgeslagen
      worden.
  -   Als LEARN actief is mag de cursor niet verplaats worden en niets getypt worden
      totdat de "connected to..." melding ontvangen is
  -   Het pad wordt normaal opgeslagen met de huidige frequentie, is het eerste
      connect een LAN, dan wordt XXX.XXX opgeslagen.

14.2.2 Speciale toepassingen
Een paar speciale items :
L>=direct
      Merk op, direct in kleine letters ! Dit geeft een directe verbinding aan. Alle
      direct verbindbare station die in een .DO file gebruikt worden moeten zo
      opgegeven worden.Speciale roepnaam "?"
      Geeft een default call aan. Voorbeeld "438.300:? N>DB0AAB" geeft aan dat, bij
      gebruik van [alt] C bij een roepnaam die niet in PATHLIST.SP staat, via DB0AAB
      geconnect wordt.
Als er meerdere verbindingen worden gelegd, zal SP de SSID vanzelf aanpassen om zo 16
verschillende verbindingen met een station mogelijk te maken. De tijdelijke wijziging
wordt gemeld.
Bij bepaalde paden in de lijst kan "-*" staan. Dit betekend dat het [alt] C commando
een willekeurige SSID kan connecten, anders moet deze overeenkomen. Voorbeeld :
438.300:OE3XLR-* N>DB0AAB. Nu kan ik "[alt]-C OE3XLR-7", of [alt]-C OE3XLR-9", of welk
SSID dan ook nemen. De "-*" mag slechts een maal in een pad voorkomen, dus gebruik het
niet bij een LAN !

14.3 Autoconnect
Automatische connects kunnen met [esc] DO gestart worden, als gast SYSOP met //DO of
automatisch op een ingestelde tijd. Hiermee kan een verbinding gelegd worden, een
serie opdrachten uitgevoerd worden en de verbinding verbreken; dat alles met een
commando.

14.3.1 Autoconnect met DO-commando
Na [esc] typ DO <filenaam>. De inhoud van dit bestand wordt dan uitgevoerd, disconnect
vindt plaats aan het einde. Het bestand heeft normaal een call als naam met de .DO
extensie, bv PI8UTR.DO, maar elke naam kan gebruikt worden. De file moet in de SPDIR
staan. Het zelfde geldt voor het //DO commando daar gast-SYSOP's na de //SYSOP
controle.

14.3.2 Autoconnect op vaste tijden
De file AT.SP wordt elke hele minuut nagekeken. Als een tijd overeenkomt zal de DO-
file uitgevoerd worden alsof een [esc] DO was gegeven. Er kunnen meerdere DO-files
gelijktijdig in werking zijn.

14.3.3 DO-file opbouw
DO-files worden handmatig met [esc] DO FILENAAM gestart. De eerste regel bevat de
roepnaam van het tegenstation, deze moet in PATHLIST.SP staan. Deze regel mag
uitgebreid worden en wel zodanig dat er in feite een regel voor komt te staan. Deze
regel bevat de roepnaam die gebruikt moet worden en wordt voorafgegaan door "!", en
eventueel gevolgd door een kanaalnummer. Voorbeeld :  !PE1JDX-7,5
Dit betekent dat de roepnaam PE1JDX-7 voor de verbinding gebruikt wordt en zal kanaal
5 gebruiken (of een hoger kanaal als 5 in gebruik is).
De tweede regel is de prompt van dat station, het volgende commando volgt als die
prompt ontvangen is. Alle volgende regels worden een voor een uitgezonden, nadat de
prompt ontvangen is. Deze regels bevatten bijvoorbeeld commando's voor een BBS.
Regels kunnen met de volgende commando's beginnen :
      !!!<file>   , de inhoud van <file> wordt tijdens elke autoconnect uitgezonden.
      !!?<file>   , de inhoud van <file> wordt tijdens de autoconnect uitgezonden en
                    daarna gewist
Als een regel begint met !!! of !!?, moet de rest van de regel een filenaam waarvan
zijn, de inhoud wordt uitgezonden. Wordt het bestand niet gevonden zal het commando
niet uitgevoerd worden. De file na !!! wordt bij elke autoconnect uitgezonden, de file
na !!? zal na uitzending en ontvangen prompt gewist worden. Bevat een file een SEND-
commando voor een BBS, zal /EX aan het eind moeten staan, geen [ctrl]-Z!
Bij de nieuwere versies kan een file met !!! of !!? met een EOF-string verstuurt
worden. Na de naam moet een spatie volgen en de string om opgemerkt te worden, deze
mag maximaal 7 tekens lang zijn. Voorbeeld !!!BERICHT.TXT ***END\r (de \r is hier
noodzakelijk).*!!*command, voert een [esc] commando uit op het huidige kanaal

*     !!*&n:cmd   , als !!* op kanaal n
      !!@         , voert DO-file uit, zonder disconnecten.
*     !!@K        , voert DO-file uit, zonder disconnecten en wist DO file.
      !!1<prompt> , stelt een nieuwe prompt in, deze moet direct de 1 volgen, let er
                    op dat deze op het juiste moment gewijzigd wordt.
      !!2<file>   , opent een nieuwe SAVE-file, de toevoeging " /D" zal een bestaande
                    file met die naam overschrijven, anders wordt de tekst toegevoegd.
*     !!3         , als SAVE aan staat, wordt hiermee uit gezet.
*     !!4<command>, stuurt commando, schakelt dan naar compressie.
*     !!Cnaam     , roept "naam" aan in de SPDIR, als commando dat gebruikt kan
                    worden om ontvangen data te scannen. De source-code van een
                    voorbeeld programma met de beschrijving kunnen schriftelijk
                    aangevraagd worden.
      !!D<cmd>    , voert een DOS commando uit.
*     !!Lcommand  , start een andere DO-file. De eerste twee tekens van "command"
                    hebben een speciale betekenis. De eerste is een cijfer die de
                    vertraging aangeeft (0 = 1 minuut, 9 = 10 minuten). Het tweede
                    teken is of "*" om de lopende verbinding te verbreken, of een
                    willekeurig teken. De volgende zijn de naam van een DO-file.
                    Voorbeelden : !!L0xPI8UTR.DO      !!L7*BBS.DO
      !!M<tekst>  , opgave tekst bepaalde voorwaarde. (nieuw)
      !!Nn        , aantal regels uit DO-file, opmerkingen niet meegeteld, die bij
                    niet voldoen van opgegeven voorwaarde overgeslagen moeten worden.
      !!P         , zendt het TheBox PRIV commando uit.
      !!R<file>   , ontvangt een binaire file.
      !!S<file>   , verzendt een binaire file.
      !!Yn        , aantal regels uit DO-file, opmerkingen niet meegeteld, die bij
                    voldoen van opgegeven voorwaarde overgeslagen moeten worden.
De commando's !!M, !!N en !!Y geven de mogelijkheid voorwaardelijk stappen te nemen in
de DO-files. Om er zeker van te zijn dat dit werkt, zal de !!M -regel direct na de
prompt opgave staan. Wordt in het overzicht een commando vooraf gegaan door "*", dan
is dit beschikbaar bij SP 6.50 en 9.xx.
Het nu volgende voorbeeld roept PI8TMA aan, als er post is wordt deze gelezen en
gewist. Merk op dat de tekens juist zijn en dat de opdrachten binnen een frame passen.
      !PE1JDX-7,5
      PI8TMA
      8:PI8TMA BBS>
      !!MGeen persoonlijk bericht
      !!Y2
      rm
      km
      l
      b

14.3.4 Volgorde handelingen
Na starten van een DO-commando (manual of automatisch), zal de gevraagde file geopend
worden. Dan worden call en prompt gelezen waarna de verbinding gelegd zal worden.
Indien de SAVE-file niet werkt, zal deze geopend worden en na de verbinding gesloten.
De filenaam bestaat uit MMDDuumm.Dxx ;MM=maand, DD=dag, uu=uur, mm=minuut, xx=kanaal.
Bij oudere versies kunnen geen twee autoconnects gelijktijdig opslaan (extensie .DSV).
Nadat de prompt ontvangen is, zal regel voor regel uitgezonden worden te beginnen met
regel 3 of 4 (als andere MYCALL gebruikt wordt op kanaal 1). Als er 15 tot 20 minuten
geen data binnen komt, wordt de verbinding verbroken. Na [alt]-K wordt de lopende DO-
file gestopt, maar de verbinding wordt niet verbroken.

14.3.5 Voorbeeld
Hier volgt een voorbeeld. De verklaring mag niet in de file staan. (BBS volgens
F6FBB).
      !PA3KLM     neemt deze call aan, ongeacht standaard call kanaal 1; geen SSID's.
      PI8TMA      roepnaam BBS
      TMABBS >    prompt
      rm          leest eigen post
      km          wist gelezen post
      l> nasa     lijst bericht aan NASA
      !!!FILE1    verzendt file FILE1
      !!?FILE2    verzendt file FILE2 en wist deze
      b           einde (niet nodig, SP disconnect bij EOF)

15 SYSOP ondersteuningen
SP kan met een aantal andere packet programma's, speciaal SP, maar ook TheBox, Baycom
BBS, FlexNet, F6FBB, DX Cluster en TheNet (NET/ROM) bepaalde SYSOP taken ondersteunen.

15.1 TheNet SYSOP ondersteuning
De file NETROMPW.SP bevat een lijst nodes (met SSID) en het wachtwoord. Elke regel
bestaat uit de roepnaam van 10 tekens (indien minder vullen met spaties) gevolgd door
het wachtwoord. Als een station in NETROMPW.SP voorkomt, kan een TheNet of NET/ROM
SYSOP automatisch een node SYSOP worden door het S-commando. SP ontvangt de paswoord-
prompt, controleert dit en zet het juiste paswoord in het buffer. Als de node
reageert, verschijnt het wachtwoord in het invoerscherm. Tijdens het wachten op een
paswoord-prompt, is het wijs niet van kanaal te veranderen. Om eenvoudig de parameters
uit te wisselen wordt [esc] PAR als volgt gebruikt : [esc] PAR p w
p geeft de parameter aan die SP toont als het node commando P gegeven wordt; w geeft
de nieuwe waarde aan. SP voegt automatisch het vereiste aantal *-tekens toe.

15.2 FlexNet wachtwoord
De file FLEXNET.SP bevat geheime nummers voor FlexNet nodes. Per node een regel; dus:
      OE5XLR=12345
      OE3XLR=23419
Om een paswoord te genereren, geef het SY commando aan de node. Het paswoord zal
gemaakt worden zodra de prompt ontvangen is en in de invoer-buffer is geschreven voor
handmatige uitzending. 
Bij nieuwe versies kan de SY-opdracht ook in DO-files staan; SP stuurt het paswoord
dan automatisch. Het commando [esc] FL leest de data in FLEXPW.SP in geval deze
"online" veranderd moet worden. Ook met //ESC FL toe te passen.

15.3 BoxBin voor DieBox 1.9 + / TheBox 1.9 + 
De roepnaam van de mailbox moet in GREETING.SP staan met niveau 3 (bv @PI8TMA:3). Bij
het verzenden van data geef je simpel [esc] SB <filenaam.ext>. De ontvangst gaat
direct in een file CALL.xxx, waar xxx optelt vanaf 000. Indien CALL.002 bestaat en
CALL.001 gewist wordt, de volgende binaire ontvangst CALL.001 gaat heten. CALL is de
call van de mailbox. De data wordt in de SVP= directory opgeslagen. Wordt de Box data
met SP uitgezonden en bevat deze datum en filenaam, dan wordt de filenaam bij
ontvangst gebruikt. Ook in dit geval wordt dit in SP\SAVE opgeslagen. Meer informatie
is te vinden in de DieBox mailboxen (HELP).

15.4 TheBox wachtwoord
Een bestand genaamd CALL.BPW (CALL is roepnaam BBS) moet in de SPDIR staan. Deze file
bestaat uit de roepnaam van de BBS in de eerste regel, gevolgd door de wachtwoord data
(60 regels met 27 tekens). Na inloggen op de BBS, wacht op de prompt en typ [esc] PRI.
SP reageert met het klaar zetten van het SYSOP commando in het invoerscherm voor
handmatige verzending. Merk op dat de login datum en tijd door de BBS moet zijn
uitgezonden om het te laten werken.
Het commando [esc] BXP kan gebruikt worden als SP niet in staat was de login da-
tum/tijd te herkennen. Gebruik de volgende vorm : ESC BXP DD.MM.YY HH:MM
Dit commando moet in feite niet nodig zijn. Het USER wachtwoord voor TheBox werkt net
zo. Een SYSOP kan niet een USER- en een SYSOP- wachtwoord hebben !

15.5 BayCom BBS en node wachtwoord
Het wachtwoord samenstelling is als bij NETROMPW.SP. Indien de BayCom BBS in de
GREETIN.SP met "b" in plaats van het PRIV niveau, zal het antwoord opgesloten zijn in
een reeks van 45 "onzin" tekens, zodat dit vrijwel onleesbaar maakt voor gluurders.

15.6 BayCom BBS USER wachtwoord
Het gebruiker-wachtwoord is vastgesteld in BAYCOMPW.SP op de zelfde manier als het
SYSOP wachtwoord. Het gebruiker wachtwoord wordt automatisch bepaald en uitgezonden.
De BBS moet in GREETING.SP niveau "b" hebben. Verder mag in BAYCOMPW.SP roepnamen
afgekort mogen worden to "*         " (een asterisk gevolgd door 9 spaties) om het
wachtwoord bruikbaar te maken voor alle BayCom BBS'en.

16 Extra remote commando's
Remote-commando's kunnen uitgebreid worden middels extra programma's die in de \RUN
directory staan. Zo'n programma kan gebruikt worden als normaal commando, bv. //QTH.

16.1 Benodigd
- .EXE of .COM bestand
- geen toetsenbord invoer
- tekstuitvoer alleen via DOS (geen BIOS)
- beperkte tekst uitvoer (2k maximaal)
- volledige evaluatie van het commando, of het programma moet het weigeren

De opdracht die aan het programma gestuurd wordt, bestaat uit het restant van de
remote commando regel gevolgd door PRIV-niveau, SYSOP status en call. Stel, PA0BUR
geeft het commando //QTH JO22SD JO50VA , dan gaat JO22SD JO50VA 1 0 PA0BUR naar het
programma.
De data die door een extern commando gegenereerd wordt, wordt in ROUTTXT.~xx (xx is
het kanaalnummer) opgeslagen en kan "oneindig" lang worden (hier geldt de 2k grens
niet). Na een disconnect wordt de data weer gewist. Een ander commando is niet
toegestaan tijdens het uitzenden van deze file. 
In SYSOP-mode is het mogelijk een pad op te geven. In dit geval wordt de extra
informatie (priv-niveau, SYSOP-status en call) niet meegestuurd. Voorbeeld:
//C:\BIN\CHKDSK . Bij de IBM-versie is als voorbeeld het programma QTH bijgevoegd.

17 Teken omzetting
Een aantal teksten die door SP uitgezonden worden werken met een teken-omzetting. Dit
is een routine die een speciale code herkent en door tekst vervangt. De code wordt
begonnen met een backslash (\). Deze teken (karakter) vertaling is actief onder de
volgende mogelijkheden :
      1) Bij een //ECHO <tekst>
      2) Bij een standaard tekst, zie [shift]-F
      3) Bij een CTEXT (connect-tekst: INU=U, DEI=U, GREETING.SP en WELCOME.SP)
      4) Bij een QRT tekst
      5) In de BEACON (baken) tekst
      6) Bij de CONFIG commando's FLA=, HOS= en NPS=.
De volgende tekens hebben een speciale betekenis :
\7 = zendt het bel karakter         \C = zendt call tegenstation
\c = zendt het TNC nummer           \D = zendt datum
\G = tijd afhankelijke groet (morgen, middag, avond)
\K = zendt kanaal nummer            \L = zendt login tijd
\M = zendt MYCALL                   \N = zendt de naam (of "dr OM") van tegenstation
\P = zendt het PRIV niveau         \r = zendt een return (nieuwe regel)
\T = zendt tijd                     \t = zendt overdracht in bytes/sec
\V = zendt SP versie nummer         \W = zendt de dag van de week
\Q = zendt frequentie               \\ = zendt een backslash
\U = zendt datum en tijd laatste login, behalve als het de eerste is
\X = zendt de twee volgende hexadecimale tekens als karakter (vb. zendt ESCAPE: \X1B)
\Z = zendt Control-Z                \z = zendt de tijdzone (TZO=)

Voorbeeld (uit PFKEYS.SP) :
      \F1=SP Versie \V\rWelkom \C bij \M kanaal \K op \D om \T!\r\r\C de\M>
Na indrukken van [shift]-F1 kan de volgende tekst gestuurd worden :
SP Versie 6.10.13
Welkom PA0TMA bij PE1JDX kanaal 1 op 11/11/94 om 11:11:11!

PA0TMA de PE1JDX>

18 Timeouts
Om te voorkomen dat de TNC vastloop, zijn er een aantal "timeouts". Iedere keer als SP
wacht op het indrukken van een toets, zal de TNC niets doen. Hier volgen de timeouts.
Als "press spacebar" is weergegeven, is de timeout POP= maal 10 seconden.
[esc] RM  20 seconden
[esc] LE na het "OK(Y/N)" wordt een "N" gegenereerd na POP= maal 10 seconden.
Alt-C/Enter  POP= maal 10 seconden.

19 DRSI ondersteuning
SP ondersteunt het gebruik van DRSI-kaarten. Een DRSI-kaart wordt door SP gezien als
een TNC, maar doet het werk voor twee TNC's naar buiten toe. Voor meer informatie
verwijs ik naar de DOC-files van DRSI-programma's.

20 TFPCR
In geval er geen TNC2 of TNC3 gebruikt wordt, wat het eenvoudigst werk, kan ook een
BayCom modem gebruikt worden. Hiervoor is een programma nodig dat de TNC "nadoet". Zie
de file TFPCR.ENG voor meer informatie.

21 Extra programma's
21.1 DXC
DXC.EXE is geschreven door DL1ZAX om samen te werken met DXClusters, PE1JDX heeft een
Nederlandstalige DXC.DAT lijst gemaakt. Let op dat de eigen WW-locator in DXC.DAT
wordt gezet. DXC.EXE en DXC.DAT kunnen in de subdirectory \DXC gezet worden. Het
programma zal bij een melding van een DXCluster de naam van het land, antenne
richting, afstand en lokale tijd tonen. De clusters moeten bij CLU= opgegeven worden.
Indien DXS=ON, zal een overzicht genaamd DXRPRT.SAV in de SVP= directory geschreven
worden. Met [esc] DX kan deze lijst ingezien worden.
Voor meer informatie, kun je contact opnemen met DL1ZAX @ DB0VFK.DEU.EU.

21.2 PMS
PMS (P)ersonal (M)essage (S)ystem voor SP is op twee manieren te gebruiken; door een
connectend station en aan het toetsenbord.

21.2.1 Installatie
Het installeren van PMS is eenvoudig. Maak een directory, bv C:\SP\PMS en geeft deze
ook op in de CONFIG.SYS (PMS=) en eventueel het APM= instellen. Als gebruikers ook
algemene berichten mag plaatsen, dan moet ook PNB=OFF ingevoerd worden. Indien gewenst
mag een bestand WELCOME.PMS gemaakt worden met een welkomstekst (maximaal 2048 tekens)
die verschijnt als de PMS aangeroepen wordt. Het bestand moet ook in de \PMS directo-
ry. Stations met niveau 3 krijgen deze tekst niet. Hetzelfde kan gedaan worden met
QRT.PMS, als afscheids-tekst.

21.2.2 Kort overzicht
Op de kanalen waar PMS actief mag/moet zijn, deze activeren met [esc] PMS, de vlag "~"
verschijnt in de statusregel, uitschakelen met het zelfde commando. De PMS-kanalen
dienen een ander SSID te hebben, bv PE1JDX-1 (kan in de baken tekst aangegeven
worden), voor diegene die alleen met de PMS willen werken. Vanuit SP kan de PMS
aangeroepen worden met //PMS, met "B" of "Q" komt men in SP terug. Het bestand
MYBBS.PMS wordt door SP gemaakt als de gebruiker het MY commando gebruikt. De data zal
eerst bewerkt moeten worden, tot die tijd zal er niets mee gebeuren. De "MYBBS" van de
PMS kan in CONFIG.SP met PMM+ ingesteld worden, als dat niet gebeurt zal de roepnaam
van het monitor kanaal gebruikt worden.

21.2.3 PMS opdrachten
Om te beginnen is het handig om bij console gebruik de echo uit te schakelen. De
meeste opdrachten bestaan uit een letter. Een paar zijn met een bereik, zoals "1-",
"2-5", "-4" of zonder "-", dan volgt dat nummer.
B     Hiermee verlaat je de PMS en volgt een disconnect, vanuit de console gebeurt er
      niets. Is men vanuit SP in de PMS gekomen, zal weer in SP gezet worden.
C     Roept de SYSOP, PMS wordt bij reactie tijdelijk uitgeschakeld.
CO    Schakelt compressie in, zendt //COMP 1.
D     Toont alle roepnamen voor wie er post is.
D B   Geeft een lijst met bulletins.
D M   Geeft een lijst met bulletins in lange vorm (zoals LIST bij BBS'en. Wordt een
      extra parameter gegeven (bv D M INFO) zal alle berichten getoond worden met in
      de bestemming (en alleen daar !) de parameter, in dit voorbeeld INFO, voorkomt.
      Grote/kleine letters worden niet apart behandeld.
E     Wist berichten. Syntax als bij List. Berichten aan anderen kunnen alleen gewist
      worden door de gene die het geschreven heeft, bv "E PA0BUR 4".
H     Geeft een kort hulp die standaard ingebouwd is, of de inhoud van HELPx.PMS (x
      D=duits, W=engels).
L     Geeft een lijst met berichten. Voorbeelden :
      L           toont alles                   L 1-        toont alles
      L -4        berichten tot nr. 4           L 2-5       berichten 2 t/m 5
      L OE1YSS 1- alle berichten voor OE1YSS    L INFO 1-   bulletins rubriek INFO
      Bij het listen van eigen berichten betekent de "R" na het nummer dat dit bericht
      gelezen is.
LO    Instellen van de log-in tijd. Alleen voor de SYSOP aan de console !
MY    Hiermee kan de home-BBS opgegeven worden. De opgave is alleen bedoelt voor
      lokaal gebruik. Het dient alleen opgegeven worden als er "forwarding" is met een
      echte BBS. Let op: niet alle versies van SP en/of PMS kunnen forwarden !!
      Wordt MY zonder parameter gegeven volgt de opgegeven BBS, of de melding geen BBS
      opgegeven, als dat het geval mocht zijn.
N     Toont alle nieuwe bulletins sedert de laatste verbinding. Het formaat is gelijk
      aan dat van "L".
PL    Deze optie is alleen voor de SYSOP aan de console. Hiermee kunnen dubbele
      roepnamen uit LOGINS.PMS gehaald worden. Dit wordt automatisch gedaan als het
      bestand groter wordt dan PLP=, dit is instelbaar in CONFIG.SP. PLP= kan tussen
      1024 en 16384 ingesteld worden; bij PLP=0 zal de functie niet uitgevoerd worden;
      als PLP= grote dan 16384, wordt PLP op 16384 gezet; bij waarde van 1 t/m 1023
      wordt 1024 ingesteld.
Q     Als "B".RHiermee kunnen berichten gelezen worden, syntax is gelijk als bij "L". De
      berichten worden tijdelijk gekopieerd, dus er dient voldoende ruimte te zijn op
      de schijf. Let op: tijdens de uitvoer mogen geen opdrachten gegeven worden.
      Met "R CALL ..." kunnen berichten aan anderen gelezen worden, mits PFA=ON;
      anders (bij PFA=OFF) kunnen alleen berichten aan anderen gelezen worden die zelf
      geschreven zijn.
S     Verstuurt een bericht. Alle informatie moet in een frame passen, voorbeeld :
      "S PA0BUR @ PI8TMA SP vertaling klaar"  Men kan ook alleen de bestemming geven
      waarna de titel gevraagd wordt. Wanneer " @ PI8TMA" weggelaten wordt, kijkt de
      PMS in de MYBBS lijst en wordt de BBS van PA0BUR gevonden, wordt de BBS aan het
      adres toegevoegd, staat PA0BUR niet in de lijst, zal de roepnaam van PMM+
      gebruikt worden.
      Een bericht wordt met [ctrl]Z afgesloten, ook "nnnn" is toegestaan, met [ctrl]D
      wordt de invoer afgebroken. Aan de console kunnen bulletins ingevoerd worden,
      dat zijn berichten waarvan de bestemming geen roepnaam is, maar kunnen wel door
      een ieder gelezen worden. Wanneer PNB=OFF kunnen gebruikers ook bulletins
      versturen. De bulletins worden niet geforward.
X     Het commando X kent twee mogelijkheden.
      De SYSOP aan het toetsenbord kan met dit commando doelen wissen en een call
      "lenen: bv "X PA6BNV". Na "B" of "Q" wordt de call weer gewist.
      De gebruiker kan, bij een juist niveau (zie bij PME=) naar SP gaan. Terug naar
      de PMS middels //PMS.

21.2.4 Diverse
Tot slot een aantal opmerkingen rondom de PMS. Bulletins hebben namen van 6 tekens,
die nooit een roepnaam mag zijn. Deze worden opgeslagen met de .PMB extensie; de
persoonlijke berichten hebben de .PMM extensie. Indien PNB=OFF, kunnen gebruikers
bulletins plaatsen, anders alleen de SYSOP. In sommige versies gelden de SYSOP
commando's alleen aan de console. Op de harde schijf moet ongeveer twee maal meer
ruimte vrij zijn dan er aan berichten nodig is. De PMS mag niet gelijktijdig meerdere
keren aangeroepen worden. De file LOGINS.PMS bevat roepnaam en tijd in DOS-formaat en
is voor intern gebruik van PMS. Een "R" opdracht moet volledig uitgevoerd zijn,
alvorens de volgende opdracht gegeven wordt. De demoversie staat gebruikers toe om
berichten van maximaal 1024 bytes te versturen. Wordt een bericht met een tekst-editor
bewerkt, moet meteen daarna het programma ADJMSGS gestart worden.

21.3 Data compressie
21.3.1 Algemene beschrijving
Data compressie kan gebruikt worden tussen gebruikers van SP 6.50 en 9.xx. Een station
zend //COMP ON, het tegenstation reageert automatisch met //COMP 1; dit mag nooit
handmatig verstuurt worden. Het uitschakelen gaat met //COMP OFF waarna het tegensta-
tion automatisch reageert met //COMP 0 (ook nooit handmatig). Wordt de compressie zo
beindigd, wordt een statistisch overzicht verzonden. Tijdens het in/uit schakelen,
mag geen der stations iets uitzenden op dat kanaal !
Het schakelen mag ook met [ctrl][F12] gebeuren, indien het tegenstation het commando
niet terug kan sturen of voor experimenten. De compressie algoritme is gebaseerd op
een Huffman tabel die gegenereerd werd tijdens gebruik van normale tekst in normale
packet situaties. De compressie-factor ligt tussen de 55% en 80% van de tekst omvang.
De feitelijk omvang is hoofdzakelijk afhankelijk van de inhoud van de verzonden tekst;
voor 7PLUS en binaire files is het duidelijk niet zinvol omdat dan al maximaal het
frame benut wordt.21.3.2 Technische beschrijving
De Huffman tabel (ASCII tekens vs bit-velden) wordt met SP meegeleverd, de source-code
is op aanvraag beschikbaar. Wanneer de compressie actief is, is de maximale PACLEN
255, was dit 256, wordt het bij activeren van compressie 255. Tijdens de uitzending is
het eerst byte van een frame altijd een "lengte-byte", die de totale lengte van het
frame, minus een is. Een niet-gecompresst frame heeft een "lengte-byte" die 256
aangeeft.
Hier volgt in het kort hoe een niet-gecomprest frame herkent wordt bij ontvangst. SP
zal automatisch de compressie per frame opheffen indien het gecompreste frame groter
zou worden dan 255 bytes of het gecompreste frame of als zo'n frame met meer dan 4
bytes groter zou worden en 40 bytes lengte overschrijden.
De secundaire statusregel en ook het [alt] W status scherm, geven een overzicht van de
compressie statistieken. De meeste "reconnected to" gevallen worden herkent en
compressie wordt in zo'n geval uitgeschakeld.
Tijdens compressie kunnen de gebruikers alle SP-commando's uitvoeren. Het is mogelijk
om gecompreste QSO te volgen met [esc] MM, zie de beschrijving aldaar. Merk op dat de
compressie frame georinteerd is. Bij gebruik van systemen met afwijkende frame
beperkingen, zoals telnet via TCP/IP, mag de compressie niet gebruikt worden.

22 PROBLEMEN
-     Bij problemen met gebruik van een keyboard-driver, moet de baudrate tussen de PC
      en TNC omlaag of KEYB.COM (van DOS 3.2) gebruiken (NIET het KEYBxx.COM van DOS
      3.3!). Als de problemen blijven probeer dan:
 1.   haal alle TSR programma's uit AUTOEXEC.BAT
 2.   haal alle drivers (behalve diskdrivers) uit CONFIG.SYS
 3.   Start SP. Als SP nog niet goed werkt, wis AUTOEXEC.BAT en reboot. Als het dan
      nog niet werkt, stuur dan bericht aan DL1MEN, met systeem beschrijving.
 4.   als SP nu goed loopt, voeg dan de gewiste utilities en drivers een voor een in
      de AUTOEXEC.BAT (elke keer reboten!)
 5.   laat de "boosdoener" buiten deze file.
Problemen doen zich voor met verscheidene "hot-key" utilities en keyboard uitbreidin-
gen (bv NDE).

23 Diverse

23.1 RAMdisk
Een RAMDISK kan gebruikt worden om schermen op te slaan en zo alle 409 regels per
kanaal te benutten (bij voldoende ruimte). Zet SWP= op het nummer van de ramdiskdrive
(C: =3, D: =4) en SP doet de rest. Zet REC=0.

23.2 SP distributie
Als je de laatste versie wilt, stuur dan een lege, ongeformatteerde disk of oude SP-
disk met retour porto (geen IRC's) aan:
S. Kluger, Richard-Strauss-Str 19, D-8000 Mnchen 80
Als je een donatie stuur (zie blz 1) kom je op een update lijst. Ook voor de source-
code, geldt dit. OPM. Geef aan dat je een IBM-versie wenst !
Vanwege het kleine aantal nederlandse aanvragen is deze vertaling gemaakt.

23.3 WA8DED codes
Hier volgen de commando's voor de WA8DED software, die ook in de TNS2S gebruikt wordt.
Gegeven wordt de letter, gevolg door x, welke waarde x aan kan nemen, wordt na de :
uitgelegd, met betekenis.
A x         : 1 = <LF>+<CR>, 0 = <CR> (geen LineFeed bij 0, alleen Carriage Return)
C x,y       : connect x opdracht, met maximaal 8 digipeaters y
D           : Disconnect
E x         : 0= echo uit, 1= echo aan
F x         : wachttijd tussen heruitzenden van packet(s)
G           : (in hostmode) status van kanalen
G x         : status kanaal x
I x         : Instelling van de roepnaam ipv x
JHOST 1     : 0= terminal mode, 1 = hostmode (SP e.d.)
L           : toont alle kanalen (instelling bij Y)
L x         : toont status kanaal x
M x         : C= monitoren ook mogelijk tijdens een connect, I= tonen van I-frames,
              N= uitschakelen monitor, S= tonen controle packets, U= tonen UI-frames,
              + call1 .. call8 alleen deze calls worden gemonitord, - call1 .. call8
              allen, behalve deze worden alle stations gemonitord.
N x         : aantal pogingen om een packet over te sturen
O x         : aantal frames dat maximaal wordt uitgezonden
P x         : instelling verzending nadat frequentie vrij is
QRES        : wist alle data in RAM (RESET)
R x         : 0= digipeater uit, 1= digipeater aan
S x         : schakelt naar kanaal x
T x         : wachttijd tussen <ENTER> en uitzenden (in msec.)
U x [txt]   : 1= onbemand werken en zendt tekst [txt], 0= bemand of met programma
V x         : 1 voor versie 1, 2 voor versie 2
W x         : wachttijd vrij kanaal (in msec.)
X x         : 0= zender uit, 1= zender aan (SWL's dus op 0 zetten)
Y x         : Maximaal aantal verbinding (gelijktijdig)
Z x         : 0= geen "handshake" tussen terminal en TNC, 1= geen handshake naar
              terminal, software handshake TNC, 2= software handshake naar terminal,
              geen handshake naar TNC, 3= software handshake naar terminal en TNC.
@B          : opvragen vrije geheugen TNC
@D x        : 0= fullduplex uit, 1= fullduplex aan
@S          : toont status van de verbinding
@T2 x       : interval timer 2
@T3 x       : interval timer 3
@V x        : roepnaam controleren 0= uit, 1=aan

23.4 Vergeten ?
Het spijt me als ik wat vergeten ben in deze handleiding. Ook ik zou best een zaak
willen hebben, zodat ik iemand kon betalen om een manual te schrijven. Deze tekst komt
voor het grootste deel uit het engelse (zelf al niet complete) SP 6.10 manual. Dit is
aangevuld met delen uit oudere versies (SP 5) en uit de SP 6.50 documentatie, alsmede
uit de RELEASE.NTS van SP 7.00 en SP 9.01. Het kan zijn dat er dus een aantal
mogelijkheden van SP niet beschreven zijn. Dit betreft vooral de versies 7.xx en
hoger. Reactie, opmerkingen en aanvullingen zijn altijd welkom.

                        73, Jan PE1JDX @ PI8TMA, 25 april 1995
